ECLI:NL:HR:2002:AD7829

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03591/00 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep inzake ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

Betrokkene stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 14 juli 2000, waarin hem werd opgelegd een bedrag van ƒ 193.745,-- aan de Staat te betalen, subsidiair 570 dagen hechtenis. Het hof had daarmee een eerdere beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 2 april 1999 vernietigd.

Het cassatieberoep werd ingediend na de wettelijke termijn, waardoor de Hoge Raad het beroep ambtshalve beoordeelde. De Advocaat-Generaal Fokkens concludeerde tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat er geen grond was voor ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak en verwierp het cassatieberoep. Hiermee bleef de beslissing van het gerechtshof in stand.

Het arrest werd gewezen door de president W.E. Haak en raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, en uitgesproken op 26 maart 2002.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot ontneming van ƒ 193.745,-- blijft in stand.

Uitspraak

26 maart 2002
Strafkamer
nr. 03591/00 P
AS/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 14 juli 2000 op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene A], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 2 april 1999 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van ƒ 193.745,--, subsidiair 570 dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze is een schriftuur ingediend, die echter eerst na
afloop van de bij de wet gestelde termijn bij de griffie van de Hoge Raad is ingekomen.
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
Voor ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak is geen grond aanwezig, zodat het cassatieberoep moet worden verworpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 26 maart 2002.