ECLI:NL:HR:2002:AD7829
Hoge Raad
- Cassatie
- W.E. Haak
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt cassatieberoep inzake ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
Betrokkene stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 14 juli 2000, waarin hem werd opgelegd een bedrag van ƒ 193.745,-- aan de Staat te betalen, subsidiair 570 dagen hechtenis. Het hof had daarmee een eerdere beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 2 april 1999 vernietigd.
Het cassatieberoep werd ingediend na de wettelijke termijn, waardoor de Hoge Raad het beroep ambtshalve beoordeelde. De Advocaat-Generaal Fokkens concludeerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat er geen grond was voor ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak en verwierp het cassatieberoep. Hiermee bleef de beslissing van het gerechtshof in stand.
Het arrest werd gewezen door de president W.E. Haak en raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, en uitgesproken op 26 maart 2002.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot ontneming van ƒ 193.745,-- blijft in stand.