ECLI:NL:HR:2002:AD8772

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36025
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.C. van Oven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep van X Beheer B.V. tegen uitspraak Gerechtshof Arnhem inzake dividendbelasting

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van X Beheer B.V. tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 28 januari 2000, betreffende een beschikking van de Inspecteur van 23 juli 1998. De Inspecteur had het bij de oprichting van belanghebbende op haar aandelen gestorte kapitaal vastgesteld op f 170.000. Na bezwaar van belanghebbende handhaafde de Inspecteur deze beschikking. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep gedeeltelijk gegrond verklaarde en de beschikking wijzigde naar f 781.334, met een gemiddeld op de aandelen gestort kapitaal van f 744. De uitspraak van het Hof is aan het arrest gehecht.

Belanghebbende heeft cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Hof. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. De zaak werd toegelicht door mr. Y.E.J. Geradts, advocaat te Amsterdam. De Advocaat-Generaal L.F. Van Kalmthout concludeerde op 21 december 2001 tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak van het Hof, met verwijzing naar een ander gerechtshof.

De Hoge Raad oordeelt dat de middelen II, IV en V (gedeeltelijk) slagen, waardoor de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam voor verdere behandeling. Tevens gelast de Hoge Raad dat de Staat aan belanghebbende het griffierecht vergoedt en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest is gewezen op 15 november 2002.

Uitspraak

Nr. 36.025
15 november 2002
IB
gewezen op het beroep in cassatie van X Beheer B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 28 januari 2000, nr. 98/03595, betreffende na te melden beschikking als bedoeld in artikel 13 van de Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: de Wet).
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
De Inspecteur heeft bij beschikking van 23 juli 1998 het bij de oprichting van belanghebbende op haar aandelen gestorte kapitaal vastgesteld op f 170.000. Deze beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de beschikking gewijzigd in dier voege dat hetgeen bij de oprichting van belanghebbende op de geplaatste aandelen is gestort wordt vastgesteld op f 781.334, en het gemiddeld op de desbetreffende aandelen gestorte kapitaal op f 744. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. Y.E.J. Geradts, advocaat te Amsterdam.
De Advocaat-Generaal L.F. Van Kalmthout heeft op 21 december 2001 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.
3. Beoordeling van de middelen
Op de gronden vermeld in de onderdelen 3.2 tot en met 3.4 van het heden tussen X en de Staatssecretaris uitgesproken arrest naar aanleiding van het cassatieberoep van X in de zaak met nummer 36027, zijn de middelen II en IV gegrond, is middel V gedeeltelijk gegrond, en behoeven de middelen I en III geen behandeling.
Middel VI faalt op de gronden uiteengezet in onderdeel 3.7 van genoemd arrest, de middelen VII en VIII op de aldaar onder 3.8 vermelde gronden.
Nu de middelen II, IV en V (gedeeltelijk) slagen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. In het verwijzingsgeding zal, nu de onderhavige beschikking kennelijk uitsluitend daarop betrekking heeft, het bedrag moeten worden vastgesteld dat als gestort kapitaal kan worden aangemerkt ter zake van de inbreng op de bij oprichting van belanghebbende geplaatste aandelen, alsmede het ter zake daarvan gemiddeld op die aandelen gestorte kapitaal.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 36026 (belanghebbende: B BV) met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 630 (€ 285,88), en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1288, derhalve € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2002.