ECLI:NL:HR:2002:AD9560
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt cassatieberoep wegens overschrijding redelijke termijn niet bewezen
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarbij de verdachte in hoger beroep werd veroordeeld voor ontuchtige handelingen jegens een minderjarige. Het hof sprak de verdachte vrij van een tenlastelegging en veroordeelde hem voor een andere, waarbij tevens een schadevergoeding werd toegewezen aan de benadeelde partij.
De verdachte stelde in cassatie dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien het onderzoek en de termijn vanaf november 1997 liepen en de eerste zitting pas in maart 2000 plaatsvond. Het hof oordeelde dat ondanks het onwenselijke tijdsverloop dit niet zodanig was dat de redelijke termijn werd overschreden, mede omdat het tijdsverloop deels te wijten was aan de proceshouding van de verdachte zelf.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en dat het oordeel niet onbegrijpelijk was. De overige middelen van cassatie werden eveneens verworpen, waarna het beroep werd afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het oordeel van het hof dat de redelijke termijn niet is overschreden blijft staan.