ECLI:NL:HR:2002:AD9610

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 mei 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/252HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.H.M. Jansen
  • J.B. Fleers
  • A.G. Pos
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid ontslag op staande voet en loonvordering afgewezen

Eiser heeft bij de Kantonrechter gevorderd dat het ontslag op staande voet van 30 juni 1997 nietig wordt verklaard en dat de Stichting aan hem salaris en kosten vergoedt. De Kantonrechter wees deze vorderingen af, wat door eiser in hoger beroep werd bestreden. De Rechtbank bevestigde het vonnis van de Kantonrechter. Vervolgens stelde eiser beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het beroep van eiser verworpen, waarbij is overwogen dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en geen nadere motivering behoeven. De Hoge Raad veroordeelde eiser tevens in de kosten van het geding in cassatie.

Hiermee blijft het ontslag op staande voet rechtsgeldig en zijn de loonvorderingen afgewezen. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissingen van de lagere instanties en benadrukt het belang van voldoende gronden voor nietigheid van ontslag op staande voet.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het ontslag op staande voet blijft rechtsgeldig.

Uitspraak

24 mei 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/252HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: voorheen mr. P.M. Iwema, thans mr. V.K.S. Budhu Lall,
t e g e n
[Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 25 november 1997 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Stichting - gedagvaard voor de Kantonrechter te Eindhoven en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat:
I. te verklaren voor recht dat het op 30 juni 1997 aan [eiser] gegeven ontslag op staande voet nietig is;
II. de Stichting te veroordelen om aan [eiser] te betalen (a) over iedere maand vanaf 1 juli 1997 aan salaris telkens zodra een maand is verstreken een bedrag van ƒ 7.192,-- bruto per maand, te vermeerderen met de vakantietoeslag van 8% totdat de dienstbetrekking rechtsgeldig is beëindigd, (b) de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW Pro over het sub a gevorderde, en (c) de wettelijke rente over het sub a en sub b gevorderde vanaf iedere vervaltermijn van iedere loonbetaling;
III. de Stichting te veroordelen tot vergoeding van de kosten die [eiser] heeft gemaakt in de periode van 1 juli 1997, wegens zijn ziekte.
De Stichting heeft de vorderingen gemotiveerd bestreden.
De Kantonrechter heeft bij vonnis van 18 februari 1999 de vorderingen van [eiser] afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Hertogenbosch.
Bij vonnis van 28 april 2000 heeft de Rechtbank het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Stichting heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op € 286,88 aan verschotten € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, J.B. Fleers en A.G. Pos, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 24 mei 2002.