ECLI:NL:HR:2002:AD9709
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- J.W. van den Berge
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing kortingsregeling bij 35%-regeling in belastingzaken
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een aanslag opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 168.500, welke na bezwaar en beroep bij het Hof werd gehandhaafd. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat de kortingsregeling binnen de 35%-regeling onjuist was toegepast, waardoor hij ten onrechte geen aanspraak maakte op de regeling.
De Hoge Raad analyseerde de feiten waarbij belanghebbende tussen 1984 en 1997 in België woonde en werkte, met eerdere tewerkstelling en verblijf in Nederland. De kern van het geschil betrof de uitleg van de kortingsregeling, die de periode waarvoor de 35%-regeling geldt vermindert met eerdere perioden van tewerkstelling en verblijf in Nederland.
De Hoge Raad stelde vast dat de kortingsregeling ook geldt voor combinaties van eerdere tewerkstelling en verblijf zonder tewerkstelling in Nederland, en dat de termijn van tien jaar voor het buiten beschouwing laten van eerdere perioden alleen geldt indien beide data meer dan tien jaar voor de nieuwe tewerkstelling liggen. In het onderhavige geval was dat niet zo, waardoor belanghebbende niet in aanmerking kwam voor de 35%-regeling.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van het Hof dat belanghebbende een zodanige band met Nederland had behouden dat het gelijkheidsbeginsel niet werd geschonden, niet tot cassatie kon leiden. De regeling heeft immers ook het karakter van een loonkostensubsidie en het onderscheid binnen de groep buitenlandse werknemers is objectief en redelijk gerechtvaardigd.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat belanghebbende geen aanspraak maakt op de 35%-regeling.