ECLI:NL:HR:2002:AE1162

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01662/99
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 365a SvArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor diefstal met valse sleutels ondanks procedureel verzuim

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin hij wegens diefstal door twee of meer verenigde personen met gebruik van valse sleutels is veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf.

Aanvankelijk wees de Hoge Raad op 22 mei 2001 het cassatieberoep af omdat geen middelen van cassatie waren voorgesteld. Later werd echter ontdekt dat de raadsman van verdachte zich tijdig had gesteld, maar door een administratief verzuim niet in de gelegenheid was gesteld middelen in te dienen. Hierdoor werd het recht op een eerlijk proces geschonden zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro.

De Hoge Raad herroept daarom zijn eerdere arrest, vernietigt het bestreden arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting. Vervolgens wordt de raadsman alsnog een termijn gegund om middelen in te dienen. Na beoordeling van deze middelen handhaaft de Hoge Raad uiteindelijk het arrest van het hof en wijst het cassatieberoep af.

De Hoge Raad oordeelt dat de bewezenverklaring voldoende is gemotiveerd en dat het middel dat de bewezenverklaring zou ontbreken faalt. Het tweede middel wordt niet inhoudelijk behandeld omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevat.

De straf van twee weken gevangenisstraf blijft gehandhaafd. Dit arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de strafkamer en uitgesproken op 9 april 2002.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot twee weken gevangenisstraf blijft gehandhaafd.

Uitspraak

9 april 2002
Strafkamer
nr. 01662/99
LR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 april 1999, nummer 22/002653-98, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, wonende te [woonplaats], ten tijde van het instellen van beroep in cassatie gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De IJssel" te Krimpen aan den IJssel.
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 3 september 1998 - de verdachte ter zake van "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf.
1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.J. Hoogendam, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Hoge Raad heeft bij arrest van 22 mei 2001 het beroep verworpen. In dat arrest is onder meer overwogen dat door of namens de verdachte geen middelen van cassatie zijn voorgesteld en dat de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd.
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft bij nadere conclusie geconcludeerd dat de Hoge Raad zijn eerdere arrest van 22 mei 2001 zal herroepen, de bestreden uitspraak alsnog zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
3. Procesgang
Tengevolge van een verzuim van de strafadministratie van de Hoge Raad is onopgemerkt gebleven dat mr. Hoogendam zich in cassatie tijdig als raadsman had gesteld. Dit verzuim werd pas ontdekt nadat de Hoge Raad in deze zaak op 22 mei 2001 arrest had gewezen. Doordat de raadsman van de verdachte tengevolge van dit verzuim niet in de gelegenheid was gesteld om middelen van cassatie voor te stellen, kan niet worden gezegd dat de verdachte in cassatie een eerlijke behandeling van zijn zaak heeft gehad, als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
Gelet op de ernst van de juridische gevolgen van dit verzuim en op de omstandigheid dat de Hoge Raad in laatste instantie uitspraak doet, is de raadsman alsnog een termijn gegund om middelen van cassatie in te dienen.
De raadsman heeft binnen deze termijn een schriftuur, houdende twee middelen van cassatie, ingediend. Gelet op het vorenoverwogene is de Hoge Raad van oordeel dat hij zijn eerder gedane uitspraak dient aan te vullen met een beoordeling van de voorgestelde middelen en dat hij die uitspraak zonodig moet herstellen. Het onderhavige arrest strekt daartoe.
4. Beoordeling van het eerste middel
4.1. Het middel klaagt er over dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat het bedrag van ongeveer f. 322,- slechts door middel van de geprepareerde rijksdaalder uit de gokkast is gehaald, aangezien het Hof tevens heeft vastgesteld dat de verdachten zelf f. 41,- in de gokkast hebben geworpen. Daardoor wordt, aldus het middel, de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid opengelaten dat het bedrag (deels) is geïncasseerd door de inworp van de f. 41,-, zodat de bewezenverklaring niet naar behoren met redenen is omkleed.
4.2. Het bewezenverklaarde kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Het middel berust op een feitelijke stelling. In aanmerking genomen dat niet blijkt dat die steling in hoger beroep is betrokken, is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd.
4.3. Het middel faalt.
5. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
6. Beslissing
De Hoge Raad handhaaft zijn beslissing van 22 mei 2001 dat het beroep wordt verworpen.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 9 april 2002.