ECLI:NL:PHR:2002:AE1162

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01662/99
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens administratieve tekortkoming en verwijst zaak terug voor hernieuwde berechting diefstal met valse sleutel

Verdachte werd door het hof veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf wegens diefstal uit een gokkast met behulp van een geprepareerde rijksdaalder als valse sleutel. De Hoge Raad verwierp eerder het cassatieberoep omdat geen middelen waren ingediend. Later bleek dat door een administratieve fout de raadsman niet in de gelegenheid was gesteld cassatiemiddelen in te dienen.

De Procureur-Generaal stelde dat dit een schending van het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM Pro) betekende. Vervolgens werden alsnog cassatiemiddelen ingediend, waarin werd geklaagd over de bewijsvoering en de formulering van de bewezenverklaring. De Hoge Raad concludeerde dat de bewijsvoering onvoldoende was om vast te stellen dat het geldbedrag met de valse sleutel werd weggenomen.

Daarom werd het eerdere arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep. Dit om de verdachte alsnog een eerlijke behandeling te garanderen en de zaak inhoudelijk opnieuw te laten beoordelen op basis van het bestaande dossier.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 01662/99
Mr Fokkens
Zitting: 5 februari 2002
Nadere conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter zake van "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf. Bij arrest van 22 mei 2001 heeft de Hoge Raad het tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep verworpen.
2. In zijn arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat door of namens de verdachte geen middelen van cassatie zijn voorgesteld. Tengevolge van een vergissing op de strafadministratie van de Hoge Raad is onopgemerkt gebleven dat mr P.J. Hoogendam, advocaat te 's-Gravenhage, zich in cassatie tijdig als raadsman had gesteld. Door dit verzuim is de raadsman niet in de gelegenheid gesteld om middelen van cassatie in te dienen. Nadat de Hoge Raad voornoemd arrest heeft gewezen, is deze betreurenswaardige vergissing aan het licht gekomen en is mr Hoogendam alsnog een termijn gesteld waarbinnen hij een cassatieschriftuur kan indienen. De raadsman heeft binnen deze termijn twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Doordat de raadsman van de verdachte in eerste instantie niet in de gelegenheid is gesteld om middelen van cassatie voor te stellen, kan niet worden gezegd dat de verdachte in cassatie een eerlijke behandeling van zijn zaak heeft gehad, zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Gelet op de ernstige gevolgen van vorenbedoelde administratieve tekortkoming en in aanmerking genomen dat er ingevolge het Wetboek van Strafvordering geen hogere voorziening openstaat tegen een arrest van de Hoge Raad, komt het mij geraden voor dat de uitspraak van 22 mei 2001 wordt aangevuld met een beoordeling van de voorgestelde middelen en dat die uitspraak zonodig wordt hersteld (vgl. HR 30 oktober 2001, griffienummer 0140/00 II).
4. Het eerste middel klaagt erover dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgt dat het bedrag van fl. 322,- met behulp van een valse sleutel, te weten de geprepareerde rijksdaalder, is weggenomen.
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 08 november 1996 te Varsseveld, gemeente Wisch, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een gokkast heeft weggenomen een bedrag van ongeveer f 322,= toebehorende aan een ander dan verdachte of zijn mededader, zulks de weg te nemen goederen onder hun bereik te hebben gebracht door met een, met een stukje plakband aan een touwtje bevestigde, rijksdaalder, bedoelde gokkast te bedienen."
6. Alvorens op het middel in te gaan, zou ik de Hoge Raad willen voorstellen de bewezenverklaring verbeterd te lezen in die zin dat in plaats van "zulks de weg te nemen goederen onder hun bereik te hebben gebracht" wordt gelezen "door de weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen".
7. Het middel klaagt er terecht over dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat het bedrag van ongeveer fl. 322,- door middel van de geprepareerde rijksdaalder uit de gokkast is gehaald, aangezien bewijsmiddel 5, inhoudende dat de verdachte en zijn mededader zelf fl. 41,- in de gokkast hebben gegooid, de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid openlaat dat het bedrag van fl. 322,- (deels) is geïncasseerd naar aanleiding van de legaal ingeworpen fl. 41,- en dus niet naar aanleiding van het gebruik van de geprepareerde rijksdaalder. Bovendien blijkt uit de bewijsvoering niet wat is bedoeld met het type munt-inworp zoals omschreven in het proces-verbaal.
8. Dat betekent dat het middel gegrond is en de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. Ik merk nog op dat er voor de Hoge Raad bij gebreke aan een middel dat klaagde over de bewijsvoering geen reden was om gebruik te maken van zijn bevoegdheid de uitspraak ambtshalve te vernietigen, aangezien uit de bewijsvoering gelezen in samenhang met de onderliggende stukken kon worden afgeleid dat de verdachten zich aan het subsidiair tenlastegelegde - een hoeveelheid geld door middel van een valse sleutel - hebben schuldig gemaakt.
9. Gelet op de gegrondheid van het eerste middel volsta ik ten aanzien van het tweede middel, dat uit de omstandigheid dat beide verdachten zich bij de gokkast ophielden en verdachte wist dat zijn mededader beschikte over een geprepareerde rijksdaalder, het handelen in vereniging kon worden afgeleid.
10. Deze nadere conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zijn eerdere arrest van 22 mei 2001 zal herroepen, het arrest van het Hof alsnog zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden