ECLI:NL:HR:2002:AE3576

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00832/01
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 68 RO (oud)Art. 9a Sr
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens beperkte veroordeling voor overtreding gevaarlijk dier

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin hij was vrijgesproken van het primair tenlastegelegde misdrijf maar veroordeeld voor een subsidiaire overtreding: het niet voldoende zorgdragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier. Het hof legde een geldboete van 250 gulden op, subsidiair vijf dagen hechtenis.

De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Volgens artikel 68 (oud) van het Wetboek van Strafvordering is beroep in cassatie tegen een arrest van het hof inzake overtredingen slechts mogelijk indien in de einduitspraak een straf of maatregel is opgelegd die niet beperkt is tot een geldboete van maximaal vijfhonderd gulden, tenzij het gaat om overtredingen van bepaalde openbare lichamen.

Omdat de opgelegde geldboete in deze zaak lager was dan de wettelijke drempel en het cassatieberoep kennelijk niet gericht was tegen de vrijspraak, verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 25 juni 2002.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van verdachte niet-ontvankelijk wegens de opgelegde geldboete onder de wettelijke drempel.

Uitspraak

25 juni 2002
Strafkamer
nr. 00832/01
ES/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 oktober 2000, nummer 22/000918-00, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 20 oktober 1999 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair tenlastegelegde misdrijf en hem voorts ter zake van de onder 1 subsidiair bewezenverklaarde overtreding "geen voldoende zorg dragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier" veroordeeld tot een geldboete van ƒ 250,--, subsidiair vijf dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1. Het cassatieberoep betreft de veroordeling ter zake van de hiervoor onder 1 vermelde overtreding. Ingevolge art. 68 (oud) RO staat tegen een arrest van een gerechtshof voorzover betreffende een of meer overtredingen beroep in cassatie open, tenzij terzake in de einduitspraak met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel is opgelegd, dan wel geen andere straf of maatregel is opgelegd dan een geldboete tot een (gezamenlijk) maximum van vijfhonderd gulden, alles behoudens indien het gaat om een overtreding van een verordening van een provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar
lichaam.
3.2. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de verdachte niet kan worden ontvangen in het ingestelde cassatieberoep.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 25 juni 2002.