ECLI:NL:HR:2002:AE4725

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37058
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vernietiging naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting wegens vergissing inrichtingseisen bestelauto

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd over de periode van 26 maart 1998 tot en met 25 maart 2000. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, maar het Hof vernietigde deze en de uitspraak van de Inspecteur. De Staatssecretaris van Financiën stelde vervolgens cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

Het geschil draaide om de vraag of belanghebbende zich terecht op het standpunt kon stellen dat hij zich vergist had over de juiste uitleg van de inrichtingseisen voor bestelauto's, zoals vastgelegd in een Besluit van de Staatssecretaris van 30 januari 2001. Dit Besluit bepaalt dat geen naheffingsaanslag wordt opgelegd indien aannemelijk is dat sprake is van een vergissing, tenzij bewust van de inrichtingseisen is afgeweken.

Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet wist dat de auto als personenauto werd aangemerkt en dat hij bereid was de auto aan te passen aan de wettelijke eisen. De Hoge Raad stelde vast dat het Hof niet miskend had dat het aan belanghebbende was om aannemelijk te maken dat sprake was van een vergissing en dat het Hof voldoende bewijs had gevonden in de gedingstukken en ter zitting.

De Hoge Raad verwierp de middelen van de Staatssecretaris en verklaarde het beroep ongegrond. Er werden geen proceskosten aan de Staat opgelegd. Hiermee blijft de vernietiging van de naheffingsaanslag in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond en bevestigt de vernietiging van de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting.

Uitspraak

Nr. 37.058
28 juni 2002
TVW
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 maart 2001, nr. P00/01894, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het motorrijtuig met kenteken AA-00-AA een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, berekend over het tijdvak 26 maart 1998 tot en met 25 maart 2000, ten bedrage van f 3008. De naheffingsaanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur alsmede de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft de in geding zijnde naheffingsaanslag bezien in het licht van het Besluit van de Staatssecretaris van 30 januari 2001, nr. CPP2000/1835, V-N 2001/11.27 (hierna: het Besluit), waarin wordt goedgekeurd - kort gezegd - dat vooralsnog geen naheffingsaanslag wordt opgelegd indien de kentekenhouder aannemelijk maakt dat hij zich heeft vergist over de juiste uitleg van de voor bestelauto's geldende inrichtingseisen. Van zich vergissen in de hiervoor bedoelde zin is volgens het Besluit geen sprake indien een of meer van de inrichtingseisen voor bestelauto's afwijkende aanpassingen zijn aangebracht die, gezien de aard en omvang ervan, tot de conclusie dwingen dat de kentekenhouder bewust van die inrichtingseisen heeft willen afwijken.
3.2. Voor het Hof heeft belanghebbende gesteld dat hij niet wist dat de betrokken auto een personenauto was, en heeft hij zich bereid verklaard de auto eventueel aan te passen aan de wettelijke eisen voor toepassing van het tarief voor een bestelauto.
3.3. Voorzover het middel strekt ten betoge dat het Hof heeft miskend dat het Besluit niet ertoe strekt een algehele onwetendheid betreffende de vigerende regelgeving te pardonneren, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft immers in die zin niet geoordeeld, noch overwogen dat bij belanghebbende iedere kennis omtrent de relevante regelgeving ontbrak.
3.4. Het middel faalt eveneens voorzover het aanvoert dat het herstelbeleid niet is geschreven voor gevallen als het onderhavige, waarin ingrijpende herstelwerkzaamheden nodig zijn om een bepaalde auto te doen voldoen aan de inrichtingseisen voor bestelauto's. Voor deze opvatting is in het Besluit geen steun te vinden; de omvang van de herstelwerkzaamheden sluit op zichzelf ook niet uit dat sprake kan zijn van een vergissing in de zin van het Besluit. Het middel faalt derhalve in zoverre.
3.5. In het middel wordt met juistheid betoogd dat het aan de kentekenhouder is aannemelijk te maken dat hij zich heeft vergist in vorenbedoelde zin. Het Hof heeft dit evenwel niet miskend. Het door belanghebbende te leveren bewijs kon het Hof geleverd achten op grond van uitlatingen van belanghebbende in de gedingstukken en ter zitting van het Hof.
3.6. Het middel kan derhalve ook voor het overige niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2002.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 327.