ECLI:NL:HR:2002:AE5591
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Verwerping beroep in cassatie tegen ontnemingsvordering binnen wettelijke termijn
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk was omdat de vordering niet binnen de wettelijke termijn van twee jaren na het vonnis van de rechtbank was ingesteld.
Het hof oordeelde dat de vordering uiterlijk op 15 oktober 1998 was uitgegaan, toen voor het eerst werd getracht de vordering aan de betrokkene te betekenen, en dat daarmee de termijn van twee jaren was gerespecteerd. De Hoge Raad bevestigt dat de datum van uitreiking aan de betrokkene bepalend is voor het aanhangig maken van de vordering, in lijn met eerdere jurisprudentie.
Daarnaast stelde de betrokkene dat de vordering niet 'zo spoedig mogelijk' na het vonnis was ingesteld. De Hoge Raad oordeelt dat deze term niet leidt tot niet-ontvankelijkheid indien de wettelijke termijn van twee jaren wordt gerespecteerd. Het beroep wordt verworpen omdat geen rechts- of motiveringsklachten kunnen slagen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering tot ontneming wordt als tijdig en ontvankelijk bevestigd.