ECLI:NL:HR:2002:AE6375

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 augustus 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37132
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • L. Monné
  • J.W. van den Berge
  • A.R. Leemreis
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
2 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt navorderingsaanslag en verhoging wegens onjuiste aangifte inkomstenbelasting

Belanghebbende heeft in 1993 werkzaamheden verricht in het economische verkeer waarbij hij een beloning ontving in aandelen tegen een prijs die lager was dan de economische waarde. Dit voordeel werd niet aangegeven, waardoor te weinig belasting werd geheven. De Inspecteur legde daarop een navorderingsaanslag met een verhoging van 100% op, waarvan 50% werd kwijtgescholden.

Belanghebbende maakte bezwaar, maar dit werd gehandhaafd. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en verminderde de aanslag tot een bedrag aan enkelvoudige belasting met een verhoging van 100%, waarvan 50% werd kwijtgescholden. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad oordeelt dat het voordeel als inkomsten uit arbeid moet worden aangemerkt en dat het opzettelijk niet aangeven daarvan een laakbaar handelen inhoudt dat rechtvaardigt dat de Inspecteur een navorderingsaanslag met verhoging oplegt. Het middel dat stelt dat de Inspecteur slechts één boete had mogen opleggen faalt, omdat het laakbare handelen van belanghebbende losstaat van dat van een eventuele inhoudingsplichtige vennootschap.

Verder oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel van het Hof dat belanghebbende wist dat hij het voordeel had moeten aangeven, niet onjuist is en dat het Hof voldoende gemotiveerd heeft. Ook is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de navorderingsaanslag met verhoging wegens opzettelijk onjuiste aangifte.

Uitspraak

Nr. 37.132
9 augustus 2002
wv
gewezen op het beroep in cassatie van de X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 februari 2001, nr. 99/2494, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, met een verhoging van 100 percent van de nagevorderde belasting, van welke verhoging bij het vaststellen van de navorderingsaanslag 50 percent is kwijtgescholden.
De Inspecteur heeft, na daartegen gemaakt bezwaar, de navorderingsaanslag gehandhaafd en het kwijtscheldingsbesluit bevestigd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de navorderingsaanslag verminderd tot ƒ 8652 aan enkelvoudige belasting, met een verhoging van 100 percent, waarvan 50 percent is kwijtgescholden. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft in het kader van de overname, sanering en doorverkoop van twee besloten vennootschappen, een houdstervennootschap en haar dochtervennootschap, in het jaar 1993 werkzaamheden in het economische verkeer verricht en daarvoor - in plaats van een beloning in geld - een beloning bedongen in de vorm van een pakket en een optie op een tweede pakket aandelen in de desbetreffende houdstervennootschap, een en ander tegen een prijs die aanzienlijk lager was dan de waarde in het economische verkeer. Hij heeft aldus een voordeel genoten, dat is aan te merken als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 22, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). De Inspecteur heeft belanghebbende ter zake van dat voordeel - dat door deze niet was aangegeven, als gevolg waarvan aanvankelijk te weinig belasting en premie was geheven - een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen met verhoging opgelegd.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende wist, althans moet hebben geweten, dat hij het voordeel als inkomsten uit arbeid diende aan te geven maar zulks opzettelijk niet heeft gedaan. Middel 2 bestrijdt dit oordeel tevergeefs. Het oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het behoefde ook geen nadere motivering dan gegeven.
3.3. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat aan het opleggen van een navorderingsaanslag met verhoging aan belanghebbende niet in de weg staat dat de Inspecteur wellicht bij een van de bij de transactie betrokken vennootschappen loonbelasting had kunnen naheffen ter zake van de beloning van belanghebbende.
Middel 1, dat dit oordeel bestrijdt voorzover dat op de verhoging betrekking heeft, berust blijkens de toelichting op het uitgangspunt dat de Inspecteur slechts één boete kon opleggen, namelijk hetzij aan een van de mogelijk inhoudingsplichtige vennootschappen, hetzij aan belanghebbende, en betoogt, daarvan uitgaande, dat de Inspecteur daarom nauwkeurig had dienen te onderzoeken welke partij de boete verschuldigd was, en van dat onderzoek bij de aankondiging van de verhoging aan belanghebbende rekenschap had dienen af te leggen.
Het middel miskent evenwel dat belanghebbende een verhoging heeft belopen ter zake van eigen laakbaar handelen, namelijk het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte als gevolg waarvan aanvankelijk te weinig inkomstenbelasting is geheven, welk handelen los staat van een eventueel laakbaar handelen van een eventuele inhoudingsplichtige met betrekking tot de inhouding en afdracht van loonbelasting. Opzet of schuld van een eventuele inhoudingsplichtige aan het te weinig heffen van loonbelasting zou, anders dan belanghebbende kennelijk meent, niet de opzet van belanghebbende aan zijn eigen laakbaar handelen uitsluiten. De door belanghebbende aan zijn onjuiste uitgangspunt verbonden opvatting dat de verplichting van de Inspecteur om belanghebbende tijdig op de hoogte te stellen van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging, inhield dat de Inspecteur daarbij had dienen aan te geven of naar zijn oordeel al dan niet sprake was van een aan de heffing van loonbelasting onderworpen voordeel en zo ja, om welke reden dan niet (met verhoging) was nageheven van de betrokken inhoudingsplichtige, is dan ook onjuist. Het middel faalt derhalve.
3.4. Middel 3 klaagt dat het Hof bij de beslissing inzake de verhoging geen rekening heeft gehouden met de in artikel 6, lid 1, EVRM neergelegde eis van behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn. Het middel faalt. In de bestreden uitspraak ligt het oordeel besloten dat de redelijke termijn niet is overschreden. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, J.W. van den Berge, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2002.