ECLI:NL:PHR:2005:AO9273
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overschrijding redelijke termijn in fiscale boetezaak gemeente Uden
De zaak betreft een fiscale boeteprocedure tegen de gemeente Uden over de jaren 1990-1994, waarin de gemeente deels als ondernemer en deels als overheid optrad. De Inspecteur legde naheffingsaanslagen en boeteverhogingen op wegens onjuiste aftrek van omzetbelasting op diverse kostenposten, waaronder exploitatiebijdragen, reconstructies en promotiekosten.
Na bezwaar en beroep bij het Hof 's-Hertogenbosch werd de zaak op 6 december 2000 behandeld, maar de schriftelijke uitspraak volgde pas op 21 maart 2003, wat een overschrijding van de redelijke termijn inhoudt. De Hoge Raad concludeert dat de gemeente als publiekrechtelijk lichaam geen beroep kan doen op art. 6 EVRM Pro, ook niet als ondernemer. Voor het geval dat anders wordt geoordeeld, wordt de overschrijding van de redelijke termijn bevestigd.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de criteria voor de redelijke termijn, de jurisprudentie van het EHRM en de Nederlandse rechtspraak, en benadrukt dat het Hof van ambtswege moet motiveren waarom een lange beraadslagingstermijn gerechtvaardigd is. In deze zaak ontbreekt een dergelijke motivering, waardoor de overschrijding vaststaat.
De conclusie is dat de overschrijding van de redelijke termijn is vastgesteld, maar dat dit voor de gemeente geen beroep op art. 6 EVRM Pro oplevert. De zaak illustreert de complexiteit van de beoordeling van redelijke termijnen in fiscale boetezaken en de bijzondere positie van publiekrechtelijke lichamen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep van de gemeente Uden op art. 6 EVRM en bevestigt de overschrijding van de redelijke termijn zonder verdere gevolgen.