ECLI:NL:HR:2002:AF0083
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt gegrondverklaring beroep Hof in inkomstenbelastingzaak 1997
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1997 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 95.438. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof Amsterdam, dat het beroep gegrond verklaarde, de uitspraak van de Inspecteur vernietigde en de aanslag verminderde tot een belastbaar inkomen van ƒ 91.650.
De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. In het cassatieproces werd onder meer betwist of alle uitgaven voldoende met schriftelijke bescheiden waren aangetoond. Het Hof had echter vastgesteld dat pinbetalingen op dagafschriften vermeld stonden en dat partijen hierover niet langer in geschil waren.
De Hoge Raad oordeelde dat het tweede middel van de Staatssecretaris faalde wegens gebrek aan feitelijke grondslag en dat het eerste middel geen nadere motivering behoefde. Ook werden geen proceskosten aan de Staat opgelegd. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde daarmee het oordeel van het Hof en legde een griffierecht op aan de Staat.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof Amsterdam bevestigd.