ECLI:NL:HR:2002:AE8157
Hoge Raad
- Cassatie
- L. Monné
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek buitengewone last voor financiële ondersteuning moeder
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1997 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 130.480. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, maar het Hof verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag tot een belastbaar inkomen van ƒ 128.813.
De kern van het geschil betrof de vraag of betalingen die belanghebbende deed ter ondersteuning van zijn moeder, via rekeningen op haar naam, als buitengewone lasten konden worden aangemerkt. Het Hof oordeelde dat deze betalingen onder de definitie van uitgaven in geld vallen zoals bedoeld in artikel 46, lid 1, letter a, onder 2°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het standpunt van de Staatssecretaris dat alleen directe betalingen aan de ondersteunde aftrekbaar zouden zijn. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees af dat proceskosten aan de Staat worden opgelegd, behalve het griffierecht van € 327.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard.