ECLI:NL:HR:2002:AE8157

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36463
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • L. Monné
  • A.R. Leemreis
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 lid 1 letter a onder 2° Wet op de inkomstenbelasting 1964
Verwijzingen
1 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aftrek buitengewone last voor financiële ondersteuning moeder

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1997 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 130.480. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, maar het Hof verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag tot een belastbaar inkomen van ƒ 128.813.

De kern van het geschil betrof de vraag of betalingen die belanghebbende deed ter ondersteuning van zijn moeder, via rekeningen op haar naam, als buitengewone lasten konden worden aangemerkt. Het Hof oordeelde dat deze betalingen onder de definitie van uitgaven in geld vallen zoals bedoeld in artikel 46, lid 1, letter a, onder 2°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het standpunt van de Staatssecretaris dat alleen directe betalingen aan de ondersteunde aftrekbaar zouden zijn. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees af dat proceskosten aan de Staat worden opgelegd, behalve het griffierecht van € 327.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Nr. 36.463
27 september 2002
wv
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 juli 2000, nr. 00/00316, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 130.480, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 128.813. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar ter financiële ondersteuning van zijn moeder enkele te haren name staande rekeningen betaald. Voor het Hof was in geschil of de betalingen moeten worden gerangschikt onder de tot de buitengewone lasten van belanghebbende behorende uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van zijn moeder. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord, en daartoe onder meer redengevend geoordeeld dat de betalingen zijn aan te merken als betalingen in geld in de zin van artikel 46, lid 1, letter a, onder 2°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
3.2. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste opvatting van voormeld artikel. De in het middel verdedigde opvatting dat van uitgaven in geld in de zin van die bepaling slechts sprake kan zijn wanneer de betalingen rechtstreeks aan de ondersteunde worden gedaan, is onjuist (vgl. HR 22 maart 2002, nr. 36679, BNB 2002/169).
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2002.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 327.