ECLI:NL:HR:2003:AE1119
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- J.W. van den Berge
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat overblijfselen na grafrust geen stoffelijk overschot zijn voor begrafenisrechten
Belanghebbende verzocht de gemeente Alphen aan den Rijn om de overblijfselen van drie stoffelijke overschotten in een familiegraf te verzamelen om ruimte te creëren voor een vierde bijzetting. De verplichte grafrust van tien jaar was verstreken. De gemeente hief begrafenisrechten van ƒ 4365, waarvan ƒ 3080 betrekking had op deze dienst. Belanghebbende maakte bezwaar, dat werd afgewezen door de gemeentelijke afdeling financiën.
Het Hof vernietigde deze uitspraak en verlaagde de geheven rechten tot ƒ 1285. Het college van burgemeester en wethouders ging in cassatie tegen deze uitspraak. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep ongegrond te verklaren.
De Hoge Raad oordeelt dat de Verordening begrafenisrechten het begrip 'stoffelijk overschot' aansluit bij de Wet op de lijkbezorging, waarin na afloop van de wettelijke grafrust geen sprake meer is van een lijk maar van overblijfselen. Deze overblijfselen vallen niet onder de tarieven van de Verordening. Het beroep van het college faalt en het wordt veroordeeld in de proceskosten.
De uitspraak bevestigt dat na het verstrijken van de grafrust de overblijfselen niet als stoffelijk overschot worden beschouwd voor het heffen van begrafenisrechten, waardoor de gemeente ten onrechte hogere rechten heeft geheven.
Uitkomst: Het beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de gemeente is ten onrechte begrafenisrechten geheven voor overblijfselen na afloop van de grafrust.