ECLI:NL:PHR:2003:AE1119
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onjuiste heffing begrafenisrechten bij schudden familiegraf
Belanghebbende, een begrafenisondernemer, had namens nabestaanden bij de gemeente Alphen aan den Rijn een bijzetting in een familiegraf aangevraagd. Omdat het familiegraf al drie begravingen kende, werden de overblijfselen van eerdere lijken samengebracht in het onderste deel van het graf, een handeling die bekendstaat als 'schudden'. De gemeente bracht hiervoor een bedrag van ƒ 3080 in rekening, waartegen belanghebbende bezwaar maakte.
De voorzitter van de derde meervoudige kamer van het Hof verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening, maar het Hof verklaarde het verzet gegrond omdat de kennisgeving geen rechtsmiddelverwijzing bevatte. Uiteindelijk oordeelde het Hof dat de heffing van het hogere bedrag onterecht was en verlaagde het tot ƒ 1285.
De gemeente stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Deze oordeelde dat de Verordening begrafenisrechten 1997 geen heffing toestaat voor het schudden van een familiegraf, omdat dit niet valt onder het belastbare feit van opgraven zoals bedoeld in de wet. Het Hof had het juiste oordeel gegeven, ook al berustte dat op een onjuiste juridische redenering over de status van overblijfselen na grafrust.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde daarmee het oordeel van het Hof dat de hogere heffing niet terecht was. De zaak verduidelijkt de interpretatie van begrippen als opgraven en ruimen binnen de context van begrafenisrechten.
Uitkomst: Het beroep van het College wordt ongegrond verklaard en de heffing van het hogere bedrag wegens schudden van het familiegraf is onterecht.