ECLI:NL:HR:2003:AF2683
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- H.A.M. Aaftink
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- P.C. Kop
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Huurrechtelijke voortzetting na overlijden huurder met duurzame gemeenschappelijke huishouding
De zaak betreft een geschil over de voortzetting van een huurovereenkomst van een benedenhuis te Amsterdam na het overlijden van de oorspronkelijke huurder, de moeder van verweerder. Verweerder woonde sinds 1947 met zijn moeder in het gehuurde en voerde met haar een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Na haar overlijden op 28 maart 1998 nam verweerder de huurbetalingen over.
Eiseres, sinds 1987 eigenaar van het pand, vorderde ontruiming van de woning omdat zij meende dat verweerder geen recht van huur of gebruik had. Verweerder stelde primair dat stilzwijgend een huurovereenkomst was ontstaan en subsidiair dat op grond van art. 7A:1623i BW de huurovereenkomst moest worden voortgezet.
De Kantonrechter verklaarde zich onbevoegd en verwees de zaak naar de Rechtbank, die in hoger beroep oordeelde dat de subsidiaire vordering van verweerder toewijsbaar was. Eiseres stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de Rechtbank voor zover het de subsidiaire vordering betrof en bekrachtigde het vonnis van de Kantonrechter. De Hoge Raad stelde dat eiseres niet gehouden was verweerder binnen zes maanden na het overlijden te informeren over haar plannen of hem te wijzen op zijn mogelijkheid tot voortzetting van de huurovereenkomst. De huurovereenkomst werd derhalve geacht voort te duren zolang op een vordering daartoe niet onherroepelijk is beslist.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de Rechtbank en bekrachtigt het vonnis van de Kantonrechter, waardoor de huurovereenkomst wordt voortgezet op grond van art. 7A:1623i BW.