ECLI:NL:HR:2003:AF3100

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 maart 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01404/02
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 365a SvArt. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van veroordeling voor invoer van cocaïne ondanks transitverweer

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte is veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk binnenbrengen van circa 19 kilogram cocaïne in Nederland. De verdachte voerde verweer dat de cocaïne niet in Nederland was ingevoerd, maar dat Nederland slechts een tussenlanding was op weg naar Spanje, de uiteindelijke bestemming.

Het hof oordeelde dat het volgen van de route via Nederland en het feit dat de cocaïne in de reistas van verdachte op Schiphol werd aangetroffen, voldoende bewijs vormde dat de cocaïne binnen Nederland was gebracht met opzet. Het hof verwierp het verweer dat het opzet ontbrak omdat de bestemming Spanje was.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. De Hoge Raad stelt dat het hof het verweer op toereikende gronden heeft verworpen en dat geen gronden aanwezig zijn voor vernietiging. De veroordeling tot 48 maanden gevangenisstraf blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot 48 maanden gevangenisstraf blijft in stand.

Uitspraak

4 maart 2003
Strafkamer
nr. 01404/02
EW/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 januari 2002, nummer 23/002535-01, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Spanje) op [geboortedatum] 1974, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord (Amerswiel) te Heerhugowaard.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep bevestigd een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 16 juli 2001, waarbij de verdachte ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" is veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof, het vonnis van de Rechtbank bevestigend, ten onrechte bewezen heeft verklaard dat de verdachte cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, op de grond dat het opzet van de verdachte uitsluitend was gericht op het invoeren van die cocaïne in Spanje. De Hoge Raad begrijpt het middel aldus dat het opkomt tegen de verwerping door het Hof van een dienovereenkomstig in hoger beroep gevoerd verweer ter bestrijding van het tenlastegelegde opzet.
3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"zij op 29 maart 2001 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 19.137,1 gram, van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I."
3.3. In de aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv van het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank is een in eerste aanleg namens de verdachte gevoerd verweer - dat in hoger beroep is herhaald - als volgt weergegeven en verworpen:
"Volgens de raadsman was de bestemming van het transport niet Nederland, maar Spanje. De wil van de verdachte is er dan ook niet op gericht geweest de cocaïne in Nederland in te voeren. De rechtbank is van oordeel dat de cocaïne, eenmaal de buitengrens van Nederland gepasseerd en op Schiphol aangekomen, door verdachte in haar reistas binnen het grondgebied van Nederland is gebracht. Dat het slechts om een tussenlanding ging, maakt niet dat de vereiste opzet tot invoer in Nederland ontbrak. Verdachte heeft immers door de route van haar vliegticket te volgen, ervoor gekozen - in transit - Nederland aan te doen."
3.4. Aldus heeft het Hof - het vonnis van de Rechtbank ook in zoverre bevestigend - het verweer op toereikende gronden verworpen.
3.5. Het middel faalt dus.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 4 maart 2003.