ECLI:NL:HR:2003:AF5261

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01634/02 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep in cassatie inzake ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 25 september 2001, waarin betrokkene werd veroordeeld tot betaling van ƒ 21.502,- aan de Staat, subsidiair 120 dagen hechtenis, wegens ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Betrokkene, woonachtig in Spanje, stelde het cassatieberoep in, vertegenwoordigd door mr. C.J. van Bavel. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen ambtshalve vernietiging noodzakelijk was.

Het arrest werd gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt en raadsheren Corstens, Van Buchem-Spapens, Balkema en Van Dorst. De Hoge Raad bevestigde daarmee het hofarrest en verwierp het cassatieberoep, waarmee de ontnemingsmaatregel definitief werd gehandhaafd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel van ƒ 21.502,- blijft gehandhaafd.

Uitspraak

3 juni 2003
Strafkamer
nr. 01634/02 P
ES/DAT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 september 2001, nummer 23/001645-00, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats] (Spanje).
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 16 december 1999 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van ƒ 21.502,-, subsidiair 120 dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. C.J. van Bavel, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 juni 2003.
De raadsheren Corstens en Van Buchem-Spapens zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.