ECLI:NL:HR:2003:AF5527

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 februari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37.488
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel Hof over aanslag inkomstenbelasting 1998 en weigert proceskostenveroordeling

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 71.746. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep gegrond verklaarde, de uitspraak van de Inspecteur vernietigde en de aanslag verminderde tot een belastbaar inkomen van ƒ 65.196.

Tegen deze uitspraak van het Hof stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad onderzocht onder meer de vraag of het Hof bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding terecht een wegingsfactor van 0,5 hanteerde en of het oordeel van het Hof over het gewicht van de zaak op onjuiste rechtsopvattingen berustte.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat de waarderingen van feitelijke aard niet in cassatie getoetst kunnen worden. De klacht dat het financiële belang bepalend zou moeten zijn voor het gewicht van de zaak faalde. Daarnaast achtte de Hoge Raad geen gronden aanwezig om de Inspecteur in de proceskosten te veroordelen.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde daarmee het arrest van het Hof. Hiermee bleef de vermindering van de aanslag en de kostenveroordeling van de Inspecteur in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof blijft in stand.

Uitspraak

Nr. 37.488
28 februari 2003
WM
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 2 mei 2001, nr. P:00/00119, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 71.746, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de bestreden uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 65.196. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klacht
Het Hof heeft het beroep gegrond geoordeeld en de Inspecteur veroordeeld in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof heeft het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen tarief vastgesteld op ƒ 887,50, waarbij het Hof is uitgegaan van een wegingsfactor van 0,5 voor het gewicht van de zaak. Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op hun juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De klacht, die berust op de onjuiste opvatting dat bij het bepalen van het gewicht van de zaak moet worden uitgegaan van het financiële belang, faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2003.