ECLI:NL:HR:2003:AF5825
Hoge Raad
- Cassatie
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vernietiging navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 1994
Belanghebbende was aanvankelijk voor 1994 in de vennootschapsbelasting aangeslagen op nihil, waarna een navorderingsaanslag werd opgelegd met een belastbaar bedrag van ƒ 24.901 en een verhoging van hetzelfde bedrag. De Inspecteur schold de verhoging deels kwijt. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, maar het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en stelde de navorderingsaanslag op nihil.
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris gingen in cassatie tegen het Hofarrest. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep van belanghebbende niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan belang, omdat het Hof de aanslag al tot nihil had verminderd en het beroep van de Staatssecretaris niet tot vernietiging van het Hofarrest leidt.
Het Hof had geoordeeld dat de navorderingsaanslag gehandhaafd moet worden tenzij onjuistheid is bewezen. Het Hof achtte de door belanghebbende opgegeven opbrengsten niet bewezen en toetste de redelijkheid van de Inspecteursschatting. De Hoge Raad verwierp het verweer dat artikel 27e AWR geen toetsing toelaat.
Verder oordeelde het Hof dat een stijging van opbrengsten in 1996 niet was meegenomen in de schatting voor 1994, wat een lagere opbrengst rechtvaardigde. Dit feitelijke oordeel werd door de Hoge Raad niet bestreden. De Hoge Raad wees proceskostenveroordelingen af en bepaalde terugbetaling van griffierecht aan belanghebbende.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van de Staatssecretaris ongegrond, waardoor het Hofarrest blijft gelden.