ECLI:NL:HR:2003:AF5880

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C01/160HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp
  • J.B. Fleers
  • A.G. Pos
  • P.C. Kop
  • F.B. Bakels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring en verwerping cassatieberoep wegens onvolledige middelen

In deze cassatieprocedure vorderen eisers tot cassatie betaling van schadevergoeding wegens onrechtmatige daad en niet-nakoming van garanties door verweerders. De zaak kent een lange proceduregeschiedenis met eerdere vonnissen en arrest van het Hof Amsterdam, waarbij het bewijs en tegenbewijs werden toegelaten en de zaak werd verwezen voor verdere behandeling.

De Hoge Raad beoordeelt in dit arrest de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en de inhoudelijke klachten. Voor zover het beroep is gericht tegen bepaalde verweerders die niet zijn verschenen, oordeelt de Hoge Raad dat eisers niet-ontvankelijk zijn omdat geen cassatiemiddelen tegen hen zijn gericht. Voor het overige worden de klachten inhoudelijk beoordeeld en verworpen, zonder nadere motivering omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.

De Hoge Raad veroordeelt de eisers in de kosten van het geding in cassatie en verklaart het arrest in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2003. Hiermee wordt het beroep afgewezen en blijft het eerdere vonnis in stand voor zover ontvankelijkheid bestaat.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard voor bepaalde verweerders en voor het overige verworpen.

Uitspraak

13 juni 2003
Eerste Kamer
Nr. C01/160HR
MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1], en
2. [Eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
3. [Eiser 3]
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. D. Rijpma,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
3. [Verweerder 3],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat mr. J.B.M.M. Wuisman,
alsmede tegen,
4. [Verweerder 4],
wonende te [woonplaats],
5. [Verweerder 5],
wonende te [woonplaats]
6. [Verweerster 6],
gevestigd te [vestigingsplaats],
7. [Verweerster 7],
gevestigd te [vestigingsplaats],
8. [Verweerster 8],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - en [betrokkene 1] hebben bij exploit van 13 december 1996 verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam. Na wijziging van eis hebben [eiser] c.s. en [betrokkene 1] gevorderd:
- te verklaren voor recht, dat [verweerder] c.s. hoofdelijk jegens hen aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatige daad als omschreven in de inleidende dagvaarding sub 7 (i) en 7(ii);
- [verweerder] c.s. hoofdelijk te veroordelen aan [eiser] c.s. en [betrokkene 1] te betalen alle schade die zij hebben geleden of zullen lijden als gevolg van de niet-nakoming van [C] onder de in de inleidende dagvaarding bedoelde rendements- en terugkoopgaranties, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, althans telkens vanaf het tijdstip dat deze vennootschap enig bedrag onder die garanties had moeten betalen, een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
[Verweerder] c.s. hebben de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 23 december 1998 het gevorderde tegen verweerders in cassatie sub 1, 2, 3, 5, 6, 7 en 8, te weten [verweerder 1], [verweerder 2], [verweerder 3], [verweerder 5], [verweerster 6], [verweerster 7] en [verweerster 8], afgewezen. De Rechtbank heeft voorts [eiser] c.s. en [betrokkene 1] toegelaten tot het in rov. 5.2.5. van haar vonnis omschreven bewijs en iedere verdere beslissing aangehouden.
Tegen dit vonnis hebben [eiser] c.s. en [betrokkene 1] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 16 november 2000 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep vernietigd voor zover de Rechtbank daarin [eiser] c.s. en [betrokkene 1] belast met het bewijs als omschreven in rov. 5.2.5 van dat vonnis. In zoverre opnieuw rechtdoende heeft het Hof verweerder in cassatie sub 4, [verweerder 4], toegelaten tot het tegenbewijs als omschreven in rov. 4.11 van zijn arrest. Het Hof heeft voorts de zaak naar de Rechtbank te Amsterdam verwezen ter verdere behandeling en beslissing en het vonnis waarvan beroep voor het overige bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder 4], [verweerder 5], [verweerster 6], [verweerster 7] en [verweerster 8] is verstek verleend. [Verweerder 1], [verweerder 2] en [verweerder 3] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. in hun beroep voor zover gericht tegen [verweerder 4], [verweerder 5], [verweerster 6], [verweerster 7] en [verweerster 8] en tot verwerping van het beroep voor het overige.
3. Beoordeling de ontvankelijkheid van het beroep
Tegen het bestreden arrest, voor zover dit tussen [eiser] c.s. en de niet verschenen verweerders in cassatie is gewezen, zijn geen cassatiemiddelen gericht. [eiser] c.s. kunnen derhalve in zoverre niet in hun cassatieberoep worden ontvangen.
4. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart [eiser] c.s. niet-ontvankelijk in hun beroep voor zover ingesteld tegen [verweerder 4], [verweerder 5], [verweerster 6], [verweerster 7] en [verweerster 8];
verwerpt het beroep voor het overige;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder 4], [verweerder 2] en [verweerder 3] begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris en aan de zijde van [verweerder 4], [verweerder 5], [verweerster 6], [verweerster 7] en [verweerster 8] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.G. Pos, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 13 juni 2003.