ECLI:NL:HR:2003:AF8535
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing artikel 18 Wet op inkomstenbelasting bij gedeeltelijke inbreng onderneming in BV
Belanghebbende, die een eenmanszaak dreef bestaande uit een tankstation, garagebedrijf en autowasserette, verzocht toepassing van artikel 18, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bij de inbreng van zijn onderneming in een besloten vennootschap (BV). De Inspecteur wees dit verzoek af, stellende dat de inbreng onderdeel was van een reeks rechtshandelingen gericht op overdracht of liquidatie van de onderneming. Het Hof vernietigde deze beslissing en oordeelde dat de inbreng niet als overdracht of liquidatie kon worden aangemerkt omdat de overige activiteiten als zelfstandige onderneming bleven voortbestaan.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof. De Hoge Raad overwoog dat artikel 18 van Pro de Wet een regeling bevat voor omzetting van een onderneming van een natuurlijke persoon naar een BV en dat deze regeling buiten toepassing blijft indien de inbreng deel uitmaakt van rechtshandelingen gericht op overdracht of liquidatie van de onderneming. Echter, wijzigingen in aard of omvang van de onderneming sluiten toepassing niet uit. De verkoop van het tankstation door belanghebbende vormde geen overdracht of liquidatie van de gehele onderneming.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond, bevestigde de uitspraak van het Hof en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat gedeeltelijke inbreng van een onderneming in een BV onder artikel 18 kan Pro vallen zolang het resterende deel nog een zelfstandige onderneming vormt.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof bekrachtigd.