ECLI:NL:HR:2020:645
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Geen toepassing geruisloze inbreng bij voortgezet winstgenot na inbreng onderneming in BV en partnership
Belanghebbenden, die een vennootschap onder firma hadden met een melkveehouderij, brachten hun onderneming in een BV in en gingen een partnership aan met die BV. Na emigratie naar Canada startten zij daar een agrarische onderneming. Het geschil betrof de vraag of de geruisloze inbrengregeling van artikel 3.65 Wet IB 2001 van toepassing was.
Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde dat de identiteit van de onderneming door de verplaatsing naar Canada niet wezenlijk was veranderd en dat het aangaan van het partnership samen met de inbreng in de BV betekende dat belanghebbenden nog steeds winst uit onderneming genoten. Daarom was geen sprake van een geruisloze inbreng.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het middel van belanghebbenden. De regeling van artikel 3.65 Wet IB 2001 is niet van toepassing als de belastingplichtige na omzetting nog winst uit de onderneming geniet. Het aangaan van het partnership en de inbreng in de BV vormden een samenhangend geheel, waardoor geen sprake was van een omzetting in de zin van de wet.
Het voorwaardelijk incidentele beroep van de Staatssecretaris verviel omdat het principale beroep ongegrond werd verklaard. De Hoge Raad veroordeelde partijen niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat artikel 3.65 Wet IB 2001 niet van toepassing is omdat belanghebbenden na inbreng en partnership nog winst uit onderneming genieten.