ECLI:NL:HR:2003:AF9536
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toelaatbaarheid uitlevering ondanks vermeende schending EVRM-rechten
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon geboren in de Filippijnen, die vanuit Suriname naar Nederland werd overgebracht en vervolgens werd aangehouden in Nederland op verzoek van België. De verdediging stelde dat de uitlevering ontoelaatbaar was omdat de overbrenging vanuit Suriname naar Nederland onrechtmatig zou zijn verlopen en daarmee de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) zouden zijn geschonden.
De rechtbank Rotterdam verwierp dit verweer, stellende dat onvoldoende bewijs bestond dat Nederlandse autoriteiten betrokken waren bij de onrechtmatige overbrenging en dat de uitlevering daarom toelaatbaar was. De rechtbank oordeelde ook dat het niet aan haar taak was om verder onderzoek te doen naar de omstandigheden van de overbrenging.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat zelfs als de Surinaamse autoriteiten de EVRM-rechten van de opgeëiste persoon zouden hebben geschonden, dit niet betekent dat Nederland handelt in strijd met zijn verdragsverplichtingen door de uitlevering toe te staan. Het cassatieberoep werd verworpen en de bestreden uitspraak bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de toelaatbaarheid van de uitlevering aan België.