Conclusie
derde middel. Het middel keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de opgeëiste persoon niet onverwijld zijn onschuld heeft aangetoond. De rechtbank zou een rechtens onjuiste, namelijk te restrictieve interpretatie van het onschuldverweer hebben gebezigd, en zodoende het onschuldverweer onvoldoende gemotiveerd hebben verworpen.
geen sprake kan zijnvan een
vermoedenvan schuld aan de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht. [2] De enkele bewering dat bewijs voor schuld ontbreekt, is derhalve niet toereikend. Het moet gaan om evidente onschuld, zoals bij de onloochenbare vaststelling van een persoonsverwisseling of alibi.
kanzijn geweest bij de gedraging waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht, en het verzoek dus kennelijk op een misverstand berust. [4] Swart schrijft hierover: “
Praktisch gesproken gaat het bij deze uitleveringsexceptie in de wet om iets als een bewijs van onschuld dat veelal alleen door een alibi te leveren zal zijn”. [5] Een uitvoerig en diepgaand onderzoek naar de schuldvraag wordt in elk geval niet van de rechter verlangd, beaamt Swart. Dat geldt eveneens voor een onderzoek naar beweringen waarvan de juistheid naar alle waarschijnlijkheid nooit op korte termijn kan worden aangetoond. [6]
eerste middelkeert zich in de kern bezien met een rechts- en een motiveringsklacht tegen de afwijzing van het verzoek van de verdediging strekkende tot het horen van – naar ik begrijp – de twee ter zitting van de uitleveringskamer meegebrachte Georgische advocaten, die in Georgië de opgeëiste persoon bijstaan als raadsman in de twee strafzaken die aanleiding vormden voor het uitleveringsverzoek. Het
tweede middelklaagt over de afwijzing van het verzoek van de verdediging om ter zitting een 3D-reconstructie vergezeld van een toelichting van een deskundige in een powerpointpresentatie te mogen tonen.
kanzijn van een vermoeden van schuld, hetgeen zonder diepgaand onderzoek vastgesteld moet kunnen worden. Het horen van één getuige over één registratienummer van een vuurwapen is in de jurisprudentie al als een te diepgaand onderzoek aangemerkt en afgewezen in het kader van een onschuldverweer (HR 22 maart 2011, met conclusie Vellinga; ECLI:NL:HR:2011:BP2449).
HR 25-10-2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2698, m.n. r.o. 3.2.2). Een verweer dat belastende aanwijzingen jegens de opgeëiste persoon bestrijdt of ontkracht – bijvoorbeeld door te wijzen op tegenstrijdigheden of onjuistheden in belastende getuigenverklaringen – kan daarom per definitie niet onverwijld de onschuld van de opgeëiste persoon aantonen (zie bijvoorbeeld HR 18 april 1989, NJ 1990, 63, r.o. 4.1.1 - 4.4 en punt 8 van de conclusie van de A-G Vellinga vóór HR 24 november 2009 (ECLI:NL:PHR:2009:BJ9266). Overigens is dat niet alleen vanwege een gebrek aan contextinformatie ten behoeve van de betrouwbaarheidstoetsing maar ook omdat de uitleveringsrechter niet weet welk belastend bewijs er (verder) in het strafdossier aanwezig is, zodat aan het eventueel ‘wegvallen’ van specifieke bewijsmiddelen bij gebrek aan overzicht over het dossier als geheel nooit de conclusie kan worden verbonden dat er geen sprake meer kan zijn van een vermoeden van schuld.
voltooide schendingvan art. 3 en Pro 6 EVRM (inclusief art. 6 lid Pro 2), alsmede van een niet meer af te wenden flagrante inbreuk op genoemde artikelen (zie HR NJ 1998, 388).
hebben plaatsgevonden, dan wel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid
zullen plaatsvinden.
kan zijnvan een vermoeden van schuld, zonder diepgaand onderzoek) kan dit niet uit de tekst van art. 26 lid 3 UW Pro worden afgeleid. Ook één van de meest gezaghebbende auteurs op dit gebied in Nederland, wijlen professor A. Swart, beschrijft de kern van de onschuldexceptie als volgt:
"redelijkerwijzeniet betrokken kan zijn bij de verweten feiten."[onderstreping GJK].
art. 26 lid 3 UW Pro houdt in datals de opgeëiste persoon beweert dat hij onverwijld kan aantonen niet schuldig te zijn(is anders dan: "kan zijn") aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd, de rechtbank die beweringonderzoekt." [onderstreping GJK].
Het verband tussen art. 28 lid 2 en Pro 4 UW en art. 26 lid 3 UW Pro brengt voorts mee dat een onschuldbewering als bedoeld in art. 26 lid 3 UW Pro alleen opgaat indien de rechtbank onverwijld (zónder diepgaand onderzoek)tot de overtuiging komtdat er geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld." [onderstreping GJK].
onderzocht, en kan deze niet
op voorhandworden terzijde geschoven zonder een dergelijk onderzoek ter zitting;
ennaar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel ex art. 13 EVRM Pro ten dienste staat.
beweringvan de OP dat hij niet schuldig is aan het feit waarvoor uitlevering is gevraagd;
tot de overtuiging komtdat geen sprake kan zijn van een redelijk vermoeden van schuld.
misslagberust; hier dient zich zeker de analogie aan met het verweer dat een verdenking is geconstrueerd en dus niet op echtheid berust, waardoor in andere zin sprake is van een misslag;
bewijsmateriaal. Maar President, hiervoor zal de OP dan wel de kans moeten krijgen door ter zitting dit bewijsmateriaal, zeker als daartoe getuigen zijn meegebracht, aan uw rechtbank te mogen presenteren;
Een van de redenen om de aanwezigheid van zulk een exceptie aan de nemen, kan juist zijn dat aanwijzingen ontbreken of van dubieuze aard zijn om te veronderstellen dat de opgeëiste persoon in de verzoekende staat op goede gronden wordt verdacht. Onder bijzondere omstandigheden kan de plicht tot het instellen van een onderzoek naar de schuldvraag nog voortvloeien uit een mensenrechtenverdrag waarbij de verzochte staat partij is."
3D reconstructie te tonen. De rechtbank vat die aankondiging op als een verzoek en zal daar na hoor en wederhoor op beslissen. Als het verzoek of een deel daarvan wordt toegewezen kan dat vandaag worden geëffectueerd.
eerste middelvalt uiteen in twee deelklachten. Ten eerste klaagt het middel over het oordeel van de rechtbank dat zij niet toekomt aan een toetsing van het getuigenverzoek aan de hand van het noodzaakcriterium, nu naar analogie van het bepaalde in HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5399,
NJ2013/207, in de Nederlandse uitleveringsprocedure geen plaats is voor het horen van de Georgische advocaten die de opgeëiste persoon in Georgië bijstaan in de daar tegen hem lopende strafzaken welke aanleiding vormden voor het uitleveringsverzoek. Ten tweede betoogt het middel dat de afwijzing van het verzoek onbegrijpelijk is.
eigenverhoor bepleit. De rechtbank heeft zich in de voorliggende zaak echter beroepen op deze regel ter motivering van haar beslissing om de twee Georgische advocaten categorisch uit te sluiten van het verhoor als getuige in de uitleveringsprocedure, en dit (dus) zonder toe te komen aan een beoordeling van de noodzaak van hun verhoor. Naar in cassatie moet worden aangenomen treden deze advocaten in Georgië op als raadsman in twee strafzaken waarin de opgeëiste persoon als verdachte is betrokken. Deze strafzaken gaven Georgië aanleiding voor het uitleveringsverzoek. Of de meerbedoelde rechtsregel uit HR 26 maart 2013 ook op deze casuïstiek moet worden toegepast, is niet klip en klaar. De zoektocht naar het recht noopt mij ertoe om aandacht te besteden aan de grondslag voor de ontoelaatbaarheid van het getuigenverhoor van de ter terechtzitting optredende raadsman.
NJ1996/249 (Zwolsman), welke uitspraak niet de raadsman maar het openbaar ministerie regardeert. In die uitspraak heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat — behoudens bijzondere gevallen — het als getuige horen van de officier van justitie die in dezelfde strafzaak als vertegenwoordiger van het openbaar ministerie is opgetreden en die derhalve partij is in het geding, niet past in het Nederlandse stelsel van strafvordering. Van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld kan onder meer sprake zijn indien de desbetreffende officier van justitie betrokken is geweest bij het onderzoek van de politie voorafgaande aan de aanvang van de vervolging en het verzoek om hem als getuige te (doen) horen ertoe strekt hem te ondervragen omtrent hetgeen hij daarbij zelf heeft waargenomen of ondervonden, aldus overwoog de Hoge Raad.
partij in het strafgeding” is. [10] Dat is hij, naar ik begrijp, in ieder geval ten aanzien van de door hem genomen vervolgingsbeslissingen, het door hem uitoefenen van bevoegdheden ter terechtzitting, het formuleren van de eis en het innemen van standpunten aldaar. Indien en voor zover het verhoor van de officier van justitie ertoe strekt hem vragen te stellen omtrent hetgeen hij in de opsporingsfase heeft waargenomen en ondervonden, gaan de ‘stelselmatige’ bezwaren die de Hoge Raad voor ogen staan kennelijk niet meer in doorslaggevende mate op. In abstracto beschouwd, versta ik de hier bedoelde incompatibiliteit van het verhoor van een gedingpartij met het Nederlandse stelsel van strafvordering aldus dat de hoedanigheid van procesdeelnemer zich
in elk gevalniet verdraagt met het gelijktijdig vervullen van de hoedanigheid van getuige, en dit vanwege de divergerende verantwoordelijkheden, taken, bevoegdheden en verplichtingen die aan deze onderscheidene hoedanigheden zijn verbonden en die niet simultaan in acht kunnen worden genomen.
nietaan de orde is, namelijk het geval waarin de getuige tevens optreedt als de raadsman die in het betreffende geding rechtskundige bijstand verleent. Wie staat in die situatie de verdachte rechtskundig bij tijdens het afleggen van de getuigenverklaring? Wie stelt de getuige van de zijde van de verdediging (kritische) vragen? Hoe te handelen als de getuigende raadsman zich uit de zittingzaal moet verwijderen gedurende het verhoor van een andere getuige? Idem wanneer hij als getuige nog langer beschikbaar moet blijven voor het onderzoek ter terechtzitting c.q. met een andere getuige moet worden geconfronteerd? Wat te doen als jegens de raadsman een verdenking van meineed rijst? Kan van de raadsman nog worden verwacht dat hij voldoende professionele distantie in acht neemt indien hij zelf als getuige is gehoord? Ondermijnen de belangen die de raadsman als getuige heeft niet de belangen die hij als raadsman ten behoeve van zijn cliënt heeft te dienen? In hoeverre kan de raadsman bij pleidooi afstand nemen van de mededelingen die hij als getuige heeft gedaan ingeval achteraf blijkt dat die mededelingen ook als belastend voor zijn cliënt kunnen worden uitgelegd? Kan het openbaar ministerie de als raadsman optredende advocaat op die terechtzitting oproepen (en zodoende de verdediging hinderen)?
letterlijkeuitleg van de regel die in HR 26 maart 2013 is gegeven: het Nederlandse stelsel van strafvordering verzet zich in beginsel tegen de getuigenis van een raadsman die in de betreffende procedure als zodanig optreedt, zulks met het oog op het vermijden van de ‘dubbelrol’-problematiek. Hoewel de hoedanigheid van officier van justitie c.q. advocaat-generaal op essentiële punten verschilt van die van raadsman, kunnen voor deze ambtenaren eenvoudig verscheidene gelijksoortige bezwaren in kaart worden gebracht die impliceren dat dezelfde (restrictieve) regel in beginsel ook opgeld zou moeten doen voor de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie die ter terechtzitting als zodanig fungeert. Daarbuiten geldt de door mij voorgestane restrictieve regel echter niet.
datde officier van justitie die ter terechtzitting het openbaar ministerie uitoefent tevens getuigt. De Hoge Raad houdt niettemin de mogelijkheid van het verhoor van de “desbetreffende” officier van justitie, dat wil zeggen: de officier die in dezelfde strafzaak als vertegenwoordiger van het openbaar ministerie is opgetreden en die partij is in het geding, uitdrukkelijk open. Daarmee bestrijd ik geenszins de wijsheid van deze uitspraak van de Hoge Raad. Het valt, met mijn voormalige ambtgenoot Van Dorst in zijn omvangrijke conclusie in deze strafzaak inderdaad moeilijk in te zien waarom de officier van justitie zich nimmer tegenover de (appel)rechter zou behoeven te verantwoorden voor zijn optreden in de opsporingsfase, daar waar de lagere opsporingsambtenaren zich daaraan – indien daartoe opgeroepen – niet mogen onttrekken. Anderzijds schaarde de Hoge Raad in HR 17 februari 1981 ook de officier van justitie die als zodanig tijdens het gerechtelijk vooronderzoek is opgetreden expliciet onder “
de partijen in het geding”. [11] Met name dat laatste geeft aanleiding voor verwarring die in de voorliggende zaak wellicht ook de rechtbank parten heeft gespeeld. De officier van justitie die in het gerechtelijk vooronderzoek is opgetreden hoeft immers niet tevens de zittingsofficier te zijn. Deze uitspraak ondersteunt derhalve de meer extensieve uitleg die de rechtbank in de onderhavige zaak heeft gegeven aan het ‘dubbelrol’-verbod.
twee(ongeschreven) processuele regels te onderscheiden, te weten (1) het dubbelrol-verbod: de ontoelaatbaarheid van het verhoor als getuige van een deelnemer aan het onderzoek ter terechtzitting, [12] en (2) de ontoelaatbaarheid van het verhoor als getuige van een rechterlijk ambtenaar die in de betreffende zaak in een voorfase is opgetreden, teneinde deze ambtenaar verantwoording te laten afleggen over beslissingen die hij als zodanig heeft genomen.
als getuigete bevragen. [13] Deze regel verzet zich echter niet tegen het verhoor van een officier van justitie over hetgeen hij als (hoogste) opsporingsambtenaar heeft waargenomen of ondervonden. Indien dit door mij als tweede regel gedoopte verbod inderdaad voortvloeit uit het Nederlandse stelsel van strafvordering en een zelfstandig bestaansrecht heeft, is er geen reden (meer) om het dubbelrol-verbod uit HR 26 maart 2013 extensief te interpreteren.
noodzakelijketoevoeging kunnen bieden aan de bescheiden die reeds in het kader van de uitleveringsprocedure aan de rechtbank (als producties) zijn overgelegd.
zelf reeds zou zijn gemarteld voor dezelfde feiten als die aanleiding hebben gegeven tot het uitleveringsverzoek. Op dit punt was het horen dus niet noodzakelijk te achten in het kader van een door de rechtbank te nemen beslissing aangaande dit verweer ex art. 3 EVRM Pro.
tweede middelkeert zich tegen de afwijzing van het verzoek om een 3D-reconstructie te mogen tonen, vergezeld van een toelichting van een deskundige in een powerpointpresentatie, en dit op grond van het volgende tevergeefs.
naar zijn aard geen geëigend middelzou zijn om de overtuiging te vestigen dat er geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld van de opgeëiste persoon. Nu de Uitleveringswet geen beperking bevat ten aanzien van de wijze waarop een onschuldexceptie moet worden gevoerd – ik begrijp:
het onschuldverweer is vorm vrij–, is dit oordeel onbegrijpelijk, aldus het middel.
“het een onderzoek behelst dat niet in het uitleveringsgeding maar in het strafgeding thuishoort”. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft de rechtbank hier geoordeeld dat een dergelijk onderzoek
“de waardering van het bewijs of de betrouwbaarheid van een getuige”met zich brengt, een beoordeling die de bevoegdheid van de uitleveringsrechter verre overstijgt. Ik refereer hier weer aan mijn bespreking van het derde middel. Voor zover het middel nog aanvoert dat de uitleveringsrechter naar aanleiding van een onschuldverweer gehouden is de schuldvraag te onderzoeken en derhalve de opgeëiste persoon niet op voorhand het recht had mogen ontzeggen of limiteren om deze presentatie te tonen zonder eerst de inhoud ervan te kennen, stelt het een eis die het recht niet kent.
vierde middelkeert zich met een motiveringsklacht tegen “
meerdere (impliciete) oordelen van de rechtbank dat het vertrouwensbeginsel van toepassing is op de uitlevering van de opgeëiste persoon en dat de uiteindelijke beslissing tot uitlevering aan de minister van Veiligheid en Justitie is” [18] .
vijfde middelkeert zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van de rechtbank dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake is van een voltooide schending van art. 3 EVRM Pro, maar slechts van een mogelijke dreigende schending.
gelijk is te stellenaan een (voltooide) schending van art. 3 EVRM Pro ten aanzien van de opgeëiste persoon zelf, nu de verklaringen van de gemartelde getuige worden gepresenteerd als bewijs.
de opgeëiste persoon(cursivering DA) in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd, dient de verzochte uitlevering door de rechter ontoelaatbaar te worden verklaard.” [20]
zesde middelklaagt dat de rechtbank het verweer, inhoudende dat er sprake is van een reeds voltooide schending van art. 6, tweede lid, EVRM ten aanzien van de opgeëiste persoon, ongemotiveerd heeft verworpen.
jegens de opgeëiste persoonprecies heeft bestaan. De productie waarnaar in de pleitnotities wordt verwezen (de opmerkingen van parlementslid Akaki Minashvili), houden niets in omtrent uitlatingen die rechtsreeks zien op de (on)schuld van de opgeëiste persoon.