ECLI:NL:HR:2003:AG3621
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot inhouding rijbewijs niet mandaatbaar aan parketsecretaris
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Zwolle die een klaagschrift gegrond verklaarde en de teruggave van een rijbewijs beval dat op 12 december 2002 was ingevorderd en ingehouden. De inhouding was gedaan op basis van vermoedelijk zeer gevaarlijk rijgedrag. De Rechtbank oordeelde dat de inhouding onrechtmatig was omdat deze niet door een officier van justitie maar door een parketsecretaris was bevolen, terwijl de Wegenverkeerswet 1994 dit aan de officier van justitie toekent.
De Hoge Raad onderzocht of de officier van justitie deze bevoegdheid tot inhouding kon mandateren aan een parketsecretaris, een andere bij het parket werkzame ambtenaar. Volgens artikel 126 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie en het Besluit reorganisatie openbaar ministerie en instelling landelijk parket is mandatering in bepaalde gevallen uitgesloten, vooral bij bevoegdheden met een zeer ingrijpend karakter of bijzondere relatie tot de zittende magistratuur.
De Hoge Raad concludeerde dat de bevoegdheid tot inhouding van het rijbewijs vanwege de directe en ingrijpende gevolgen voor de betrokkene zich verzet tegen mandatering aan een parketsecretaris. De Rechtbank had dit oordeel correct toegepast. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en de beschikking van de Rechtbank gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de inhouding van het rijbewijs onrechtmatig was omdat deze niet door een officier van justitie was bevolen.