ECLI:NL:HR:2003:AJ3230

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/171HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling tot betaling aan Uitvoeringsinstantie Werknemersverzekeringen

In deze zaak vordert de Uitvoeringsinstantie Werknemersverzekeringen (LISV) betaling van een bedrag van ƒ 14.663,63 van eiser. De rechtbank Breda heeft de vordering toegewezen en het hof te 's-Hertogenbosch heeft dit vonnis bekrachtigd. Eiser stelt zich hiertegen in cassatie, maar de Hoge Raad verwerpt het beroep.

De procedure begon met een dagvaarding van LISV aan eiser, gevolgd door een vonnis van de rechtbank Breda dat de vordering toewijst. Het hof bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Het cassatieberoep richt zich tegen deze uitspraken, maar de Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad benadrukt dat de klachten geen rechtsvragen bevatten die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Daarom wordt het beroep verworpen en wordt eiser veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee is de veroordeling van eiser tot betaling definitief bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de veroordeling tot betaling aan LISV blijft in stand.

Uitspraak

31 oktober 2003
Eerste Kamer
Nr. C02/171HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. drs. R.A. van der Hansz,
t e g e n
de publiekrechtelijke rechtspersoon UITVOERINGSINSTANTIE WERKNEMERSVERZEKERINGEN, als rechtsopvolgster onder algemene titel van het LANDELIJK INSTITUUT SOCIALE VERZEKERINGEN,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. R.A.A. Duk.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: LISV - heeft bij exploot van 25 augustus 1999 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te Breda en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen om aan LISV te betalen een bedrag van ƒ 14.663,63, vermeerderd met de wettelijke rente primair vanaf 15 maart 1999 en subsidiair vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.
[Eiser] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 7 maart 2000 de vordering van LISV toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 27 februari 2002 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
LISV heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van LISV begroot op € 379,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, A.M.J. van Buchem-Spapens en E.J. Numann,
en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 31 oktober 2003.