ECLI:NL:HR:2003:AK8284

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/180HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing van cassatie in civiele zaak over ontbinding en terugbetaling

Eiseres heeft verweerster gedagvaard voor betaling van een bedrag van ƒ 440.910, vermeerderd met rente en kosten, wegens een geschil over de ontbinding van een koopovereenkomst betreffende een kleine haspel.

De rechtbank te Zwolle heeft diverse tussenvonnissen gewezen, waaronder het gelasten van een deskundigenonderzoek en bewijslevering. Het hof Arnhem heeft in hoger beroep het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover het de ontbinding van de overeenkomst betrof en de vordering tot teruggave van de koopsom afgewezen, maar heeft verweerster veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 21.327,67 met rente.

Eiseres stelde beroep in cassatie tegen de arresten van het hof, maar de Hoge Raad verwierp het beroep zonder nadere motivering, bevestigde het oordeel van het hof en veroordeelde eiseres in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

31 oktober 2003
Eerste Kamer
Nr. C02/180HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 11 augustus 1994 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de rechtbank te Zwolle. Na vermeerdering van eis heeft zij gevorderd bij vonnis, voor zoveel wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerster] te veroordelen aan [eiseres] te voldoen een bedrag van ƒ 440.910,--, te vermeerderen met de kosten van beslaglegging, en vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van ƒ 197.000,-- vanaf 19 juli 1994 en over een bedrag van ƒ 198.000,-- vanaf 8 maart 1995 tot aan de dag der algehele voldoening.
[Verweerster] heeft de vordering bestreden en een vordering in reconventie ingesteld, die in cassatie niet meer van belang is.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 14 december 1994 een comparitie van partijen gelast.
Bij tussenvonnis van 31 januari 1996 heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door [eiseres] en bij tussenvonnis van 14 augustus 1996 [eiseres] bewijslevering opgedragen en tevens een deskundigenonderzoek gelast. Na enquête en deskundigenbericht heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 27 augustus 1997 de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door [eiseres] en iedere verdere beslissing aangehouden.
Tegen de tussenvonnissen van 31 januari 1996, 14 augustus 1996 en 27 augustus 1997 heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. [Verweerster] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij tussenarrest van 2 maart 1999 heeft het hof [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de vonnissen van de rechtbank te Zwolle van 31 januari 1996 en 14 augustus 1996, een deskundigenonderzoek bevolen met benoeming van een deskundige en een aantal vragen geformuleerd. Na deskundigenbericht heeft het hof bij tussenarrest van 15 augustus 2000 partijen tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft het hof bij eindarrest van 5 maart 2002 in het principaal en incidenteel hoger beroep het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank te Zwolle van 27 augustus 1997 vernietigd voorzover daarin is overwogen dat [eiseres] de ontbinding van de overeenkomst met betrekking tot de kleine haspel ten onrechte heeft ingeroepen, de vordering van [eiseres] tot teruggave van de koopsom zal worden afgewezen en verdere beslissing te dier zake is aangehouden. In zoverre opnieuw rechtdoende heeft het hof [verweerster] veroordeeld aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 21.327,67, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 juli 1994 tot aan de dag der algehele voldoening, deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en genoemd vonnis voor het overige bekrachtigd.
De arresten van het hof van 2 maart 1999, 15 augustus 2000 en 5 maart 2002 zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de drie laatstvermelde arresten van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerster] mede door mr. J.P. Heering, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 4.607,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 31 oktober 2003.