ECLI:NL:HR:2003:AN7840
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- J.B. Fleers
- D.H. Beukenhorst
- P.C. Kop
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bodemvoorrecht bij faillissement en fiscale vorderingen
In deze zaak stonden banken tegenover curatoren in het faillissement van meerdere Koverto-vennootschappen. De banken hadden een stil pandrecht op bodemzaken als zekerheid voor verstrekte financieringen. Na verkoop van deze zaken ontstond discussie over de rangregeling van de opbrengst tussen de banken en de fiscus, vertegenwoordigd door de ontvanger.
De kern van het geschil betrof de vraag of het fiscaal bodemvoorrecht van de ontvanger ook geldt voor belastingvorderingen die materieel vóór het faillissement zijn ontstaan maar formeel pas daarna in aanslagen zijn vastgesteld, en of dit voorrecht ook geldt voor boedelschulden en verhogingen (fiscale boetes).
De Hoge Raad bevestigde het eerdere arrest van 1998 dat het bodemvoorrecht ook geldt voor belastingvorderingen die materieel vóór faillissement zijn ontstaan, ongeacht de formele vaststelling in een aanslag na faillissement. Het voorrecht ontstaat gelijktijdig met de materiële belastingschuld. Boedelschulden, waaronder schulden die na surséance zijn ontstaan, vallen niet onder dit voorrecht. Ook fiscale boetes (verhogingen) worden niet beschermd door het bodemvoorrecht, mede omdat zij een strafrechtelijk karakter hebben volgens art. 6 EVRM Pro en niet kunnen worden verhaald op derden die geen verwijt treffen.
De Hoge Raad verwierp de cassatieberoepen van beide partijen en veroordeelde hen in de proceskosten. Hiermee werd de verdeling van de opbrengst van de bodemzaken bevestigd, waarbij de ontvanger een preferente positie heeft ten opzichte van de stille pandhouders, behalve voor boedelschulden en fiscale boetes.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het fiscaal bodemvoorrecht voor belastingvorderingen die materieel vóór faillissement zijn ontstaan, maar wijst het voorrecht voor boedelschulden en fiscale boetes af.