ECLI:NL:HR:2003:AN8168

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 november 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37556
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
  • A.R. Leemreis
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-aftrekbaarheid van kosten economische belang tijdelijk vruchtgebruik kantoorgebouw

Belanghebbende en zijn echtgenote bezitten elk vijftig procent van de aandelen in een besloten vennootschap (BV). De BV kocht in 1991 een kantoorgebouw dat in 1992 werd geleverd. Vervolgens verkocht de BV het kantoorgebouw aan belanghebbende onder voorbehoud van een vruchtgebruikrecht van dertig jaar ten behoeve van de BV. In 1994 verkocht de BV het economische belang bij dit vruchtgebruikrecht aan belanghebbende voor een bedrag van ƒ 493.495.

Belanghebbende stelde dat dit bedrag als aftrekbare kosten in de inkomstenbelasting moest worden aangemerkt. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde echter dat geen feiten waren gesteld die het bestaan van een tijdelijk vruchtgebruik aannemelijk maakten, zodat de vestiging en verwerving van het economische belang in de vermogenssfeer plaatsvonden en niet aftrekbaar waren.

In cassatie betwistte belanghebbende dit oordeel, stellende dat wel degelijk sprake was van tijdelijk vruchtgebruik. De Hoge Raad verwierp dit betoog en bevestigde dat het recht van vruchtgebruik zonder tegenprestatie was gevestigd en dat de latere vervreemding van het economische belang bij dat recht niet in de inkomstensfeer viel volgens het toen geldende belastingstelsel.

De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde daarmee het oordeel van het Hof dat het bedrag van ƒ 493.495 niet tot aftrekbare kosten kon worden gerekend. Tevens wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat het bedrag van ƒ 493.495 niet aftrekbaar is als kosten in de inkomstenbelasting.

Uitspraak

Nr. 37.556
14 november 2003
SD
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 april 2001, nr. P00/01317, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 46.159, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende en zijn echtgenote houden ieder vijftig percent van de aandelen in B B.V. (hierna: de BV). Op 1 maart 1991 heeft de BV, destijds in oprichting, een kantoorgebouw gekocht, dat op 8 april 1992 aan de BV is geleverd. Vervolgens heeft de BV het kantoorgebouw verkocht aan belanghebbende, onder voorbehoud van het recht van vruchtgebruik daarvan ten behoeve van de BV gedurende dertig jaren. De desbetreffende notariële akte is op 7 juli 1992 verleden. Bij overeenkomst van 23 december 1994 heeft de BV tegen een koopsom van ƒ 493.495 aan belanghebbende verkocht het economische belang bij het recht van vruchtgebruik van het kantoorgebouw.
3.2. Voor het Hof was in geschil of voormeld bedrag van ƒ 493.495 als aftrekbare kosten moet worden aangemerkt.
3.3. Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord en daartoe redengevend geoordeeld dat geen feiten aannemelijk zijn gemaakt die de slotsom wettigen dat een tijdelijk vruchtgebruik is gevestigd, zodat de vestiging van dat recht alsmede de verwerving van het economische belang bij dat recht door belanghebbende in de vermogenssfeer hebben plaatsgevonden.
3.4. In cassatie bestrijdt belanghebbende dit oordeel met het betoog dat wel degelijk een tijdelijk vruchtgebruik is gevestigd.
3.5. Dit betoog kan niet tot cassatie leiden. In het onderhavige geval is het recht van vruchtgebruik ontstaan doordat de BV zich dat recht heeft voorbehouden bij gelegenheid van de verkoop van het kantoorgebouw aan belanghebbende, zodat de vestiging van dat recht wegens het ontbreken van een tegenprestatie niet een transactie in de inkomstensfeer was. In het tot 1996 geldende wettelijke stelsel van de inkomstenbelasting heeft in dat geval te gelden dat de latere vervreemding van dat recht, dan wel van het economische belang bij dat recht, voor de resterende duur van de looptijd, evenmin een transactie is in de inkomstensfeer, ongeacht of het recht van vruchtgebruik ten tijde van de vestiging als tijdelijk was aan te merken (vgl. HR 19 februari 1997, nr. 32071, BNB 1997/177). De klachten, die slechts dit laatste aan de orde stellen, falen derhalve bij gebrek aan belang. Meervermeld bedrag van ƒ 493.495 kan niet tot de aftrekbare kosten worden gerekend, zodat 's Hofs beslissing - wat er zij van de daartoe gebezigde gronden - juist is.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis, en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2003.