ECLI:NL:HR:2003:AN9071

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 november 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38193
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 67c Awr
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over naheffingsaanslag en boetebeschikking omzetbelasting

In deze zaak heeft de Staatssecretaris van Financiën cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 maart 2002. Het geschil betreft een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 maart 1999 en een daarbij opgelegde boetebeschikking.

De Inspecteur had een naheffingsaanslag van ƒ 6000 en een boete van ƒ 60 opgelegd. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur beide besluiten. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, vernietigde de boetebeschikking wegens gebrek aan voorafgaande aankondiging en onvoldoende motivering, maar handhaafde de naheffingsaanslag.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door de boetebeschikking te vernietigen zonder dat dit door belanghebbende was aangevoerd. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het Hof, behoudens het onderdeel over griffierecht, en verklaart het beroep tegen de naheffingsaanslag en boete ongegrond.

De Hoge Raad acht geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2003.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verklaart het beroep tegen de naheffingsaanslag en boetebeschikking ongegrond.

Uitspraak

Nr. 38.193
28 november 2003
WM
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 maart 2002, nr. BK-99/30845, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 maart 1999 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 6000, alsmede een boete van ƒ 60. De naheffingsaanslag alsmede de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de boetebeschikking vernietigd en de naheffingsaanslag gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de onderhavige naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
3.2. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat, hoewel dit niet door belanghebbende is aangevoerd, de onderhavige beschikking waarbij een bestuurlijke boete van ƒ 60 is opgelegd, moet worden vernietigd, aangezien noch uit het rapport van het boekenonderzoek, noch uit het verweerschrift van de Inspecteur blijkt dat het opleggen van de boete tevoren is aangekondigd en/of voldoende is gemotiveerd.
3.3. Zoals het middel terecht aanvoert, is het Hof aldus buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.
3.4. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en
verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur ingediende beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2003.