ECLI:NL:HR:2004:AF6633
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over kwalificatie boetebetalingen in koopovereenkomst als inkomsten uit vermogen of periodieke uitkering
Belanghebbende kocht in 1991 een onroerend goedcomplex inclusief een woning die verhuurd was aan een derde partij. In de koopovereenkomst was een boetebeding opgenomen dat een boete van ƒ 1.500 per maand opleverde voor iedere maand dat de woning niet vrij werd opgeleverd per 1 januari 1993.
De woning werd niet tijdig vrijgeleverd, waarna de verkoper de boetebetalingen aan belanghebbende heeft voldaan. De vraag was of deze boetebetalingen moesten worden aangemerkt als periodieke uitkeringen (inkomsten uit werk en woning) of als inkomsten uit vermogen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Het Hof oordeelde dat de boetebetalingen geen periodieke uitkeringen zijn, omdat zij deel uitmaken van een geheel van rechten en verplichtingen die tegenover elkaar staan, en dat de boeten een vergoeding zijn voor het reële vermogensrisico dat de koper liep door het niet tijdig vrij opleveren van de woning. Dit betekent dat de boeten niet als voordelen uit vermogen kunnen worden beschouwd.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verklaarde het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond. De Hoge Raad stelde dat de boetebetalingen een correctie achteraf op de verkoopprijs zijn en geen periodieke uitkeringen die de waarde van de prestatie te boven gaan. De procedurekosten werden aan de Staat opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de boetebetalingen worden niet aangemerkt als periodieke uitkeringen.