Eiseressen tot cassatie - verder gezamenlijk te noemen: [eiseressen] - hebben bij exploot van 16 september 1999 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - in kort geding gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam en gevorderd uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut [verweerster] te gelasten om binnen twee maal 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis zekerheid voor de voldoening van de vordering van [eiseressen], zoals vastgesteld in het arbitrale eindvonnis van 1 oktober 1993, door een te goeder naam en faam bekend staande Nederlandse bank een bankgarantie te stellen ten bedrage van NLG 600.000,--, zulks op straffe van een aan [eiseressen] te verbeuren dwangsom van NLG 5.000,-- voor elke dag dat [verweerster] aan de veroordeling van de president geen gevolg geeft, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[Verweerster] heeft de vordering bestreden.
De president heeft bij tussenvonnis van 12 oktober 1999, alvorens verder te beslissen, partijen in de gelegenheid gesteld nadere documentatie in te dienen omtrent de financiële situatie van [verweerster]. Nadat partijen de gevraagde documentatie hadden overgelegd, heeft de president bij vonnis van 3 februari 2000 de gevraagde voorzieningen geweigerd en verstaan dat in het kader van de thans aanhangige procedure [eiseressen] andermaal aan de bel kan trekken bij gebleken wijziging van omstandigheden of wanneer [verweerster] nalaat voor eind oktober 2000 deugdelijk inzicht in haar financiën ultimo 1999 te verstrekken.
Op 27 september 2001 is de behandeling van de zaak hervat. Bij pleidooi heeft [eiseressen] haar eis vermeerderd en een bankgarantie gevorderd voor een bedrag van ƒ 730.211,52. Ter terechtzitting van 27 september 2001 heeft [verweerster] de bevoegdheid van de president betwist. Zij heeft geconcludeerd tot onbevoegdverklaring, respectievelijk tot niet-ontvankelijkverklaring en/of afwijzing van de vordering van [eiseressen].
Bij vonnis van 4 oktober 2001 heeft de president de (vermeerderde) vordering toegewezen en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen de vonnissen van de president van 12 oktober 1999, 3 februari 2000 en 4 oktober 2001 heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. [Verweerster] heeft in hoger beroep gevorderd de door de president gewezen vonnissen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zich alsnog onbevoegd te verklaren, althans [eiseressen] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vordering van [eiseressen] alsnog af te wijzen.
Bij arrest van 26 maart 2002 heeft het hof [verweerster] niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep tegen de vonnissen van 12 oktober 1999 en 3 februari 2000, het vonnis van 4 oktober 2001 vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de president van de rechtbank te Rotterdam onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vordering die [eiseressen] ter terechtzitting van 27 september 2001 heeft ontwikkeld.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.