ECLI:NL:HR:2004:AN4853
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring cassatieberoep Staatssecretaris inzake belastingheffing winst uit aanmerkelijk belang
Belanghebbende, samen met twee broers directeur en aandeelhouder van een holding, verkocht in 1996 zijn aandelen aan de holding voor een bedrag van ƒ 420.400, waarvan de betaling begin 1997 plaatsvond. De Inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen op die na bezwaar werd verminderd. Het Gerechtshof Amsterdam verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en verminderde de aanslag verder, waarbij geen toepassing van het bijzondere tarief plaatsvond.
De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen cassatieberoep in. De kern van het geschil betrof de vraag of de bij de verkoop gerealiseerde winst in 1996 als winst uit aanmerkelijk belang belast kon worden. Het Hof oordeelde dat het voordeel uit de inkoop van aandelen als inkomsten uit vermogen moest worden aangemerkt en niet in 1996 was genoten, zodat geen winst uit aanmerkelijk belang in 1996 kon worden vastgesteld.
De Hoge Raad overwoog dat de wettelijke regeling per 1 januari 1997 was gewijzigd en dat de inkoop van aandelen als vervreemding werd beschouwd. Omdat geen overgangsregeling bestond, zou het voordeel noch in 1996 noch in 1997 belast kunnen worden, wat niet strookte met de bedoeling van de wetswijziging. Daarom oordeelde de Hoge Raad dat de winst in 1997 belast moest worden, met toepassing van de toen geldende bepalingen. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard en de Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de winst uit inkoop van aandelen wordt belast in 1997.