ECLI:NL:PHR:2004:AN4853
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing bij inkoop van aandelen door de vennootschap en rangorderegeling inkomstenbelasting
In deze zaak gaat het om de fiscale behandeling van het voordeel dat een aanmerkelijk-belanghouder behaalt bij de inkoop van zijn aandelen door de vennootschap. Belanghebbende verkocht eind 1996 zijn aandelen aan de holding en ontving begin 1997 de betaling. De kernvraag was of dit voordeel belastbaar is als winst uit aanmerkelijk belang in 1996 of als inkomsten uit vermogen in 1997.
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat het voordeel als inkomsten uit vermogen moet worden aangemerkt en dat het genoten wordt in 1997, het jaar van betaling. De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatie in tegen dit oordeel. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en overwoog dat de rangorderegeling van artikel 39 Wet Pro IB 1964 bepaalt dat het voordeel bij inkoop van eigen aandelen, voor zover het als inkomsten uit vermogen wordt aangemerkt, niet meer onder de winst uit aanmerkelijk belang valt.
De Hoge Raad benadrukte dat het moment van genieten van het voordeel bepalend is voor de belastingheffing: inkomsten uit vermogen worden geacht te zijn genoten in het jaar van betaling, terwijl winst uit aanmerkelijk belang wordt genoten op het moment van vervreemding. De Hoge Raad verwierp het standpunt van de Staatssecretaris dat het voordeel in 1996 als winst uit aanmerkelijk belang belastbaar zou zijn, en verklaarde het cassatiemiddel ongegrond.
Uitkomst: Het cassatiemiddel van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof bevestigd.