ECLI:NL:HR:2004:AN8569

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01219/03
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 343 SvArt. 365a SvArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 18 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt deskundigheid getuige-patholoog bij vaststelling doodsoorzaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin de verdachte werd vrijgesproken van zware mishandeling met de dood tot gevolg en veroordeeld voor het in een hulpeloze toestand laten van een persoon die hij wettelijk moest verzorgen.

De verdediging stelde onder meer het verweer dat de deskundigheid van de getuige-deskundige, een arts en patholoog verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, onvoldoende was om uitspraken te doen over de doodsoorzaak. Het hof oordeelde echter dat deze deskundige met ruime ervaring en kennis zijn expertise op een betrouwbare wijze had gegeven.

De Hoge Raad bevestigt dat het aan de feitenrechter is om te bepalen welk bewijs betrouwbaar is en dat het hof voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld over de deskundigheid van de getuige. Het cassatieberoep wordt verworpen omdat geen sprake is van een schending van het recht of een onjuiste rechtsopvatting.

Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad en bevestigt het oordeel van het hof zonder nadere motivering.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

6 januari 2004
Strafkamer
nr. 01219/03
EW/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 december 2002, nummer 22/000760-02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Kameroen) op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats], ten tijde van betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting voor vrouwen te Breda.
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 24 januari 2002 - de verdachte vrijgesproken van het haar bij inleidende dagvaarding onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde en haar voorts ter zake van 1 meer subsidiair: "zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft en de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind" en 2. "opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet verplicht is, in een hulpeloze toestand laten" veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf.
1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. Jansen, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof niet, althans niet toereikend gemotiveerd heeft beslist op een verweer waarin de deskundigheid van de getuige-deskundige Hens om uitspraken te doen over de oorzaak van het overlijden van het slachtoffer, wordt bestreden.
3.2. Uitgangspunt is dat het in beginsel is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht zonder dat hij van zijn oordeel omtrent de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gekozen bewijsmateriaal rekenschap behoeft af te leggen.
Op dit uitgangspunt zijn zowel wettelijke als enkele jurisprudentiële uitzonderingen aangebracht, op grond waarvan onder omstandigheden een nadere redengeving van de feitenrechter wordt verlangd omtrent de betrouwbaarheid van het door hem gebezigde bewijsmateriaal, welke omstandigheden mede afhankelijk zijn van de bijzondere aard van de materie en van hetgeen ter terechtzitting in feitelijke aanleg door of namens de verdachte is aangevoerd.
3.3. Blijkens het bestreden arrest heeft C.J.J. Hens, arts en patholoog, ingevolge een mondelinge opdracht van de Officier van Justitie te Rotterdam, als beëdigd deskundige in het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk de uit- en inwendige schouwing verricht van het stoffelijk overschot van het slachtoffer teneinde na te gaan de oorzaak van overlijden en hetgeen verder van belang kon zijn (bewijsmiddel 10). Het bestreden arrest houdt tevens in dat de getuige-deskundige Hens in het verleden ruim 2500 secties heeft verricht (bewijsmiddel 12), waarbij hij meer dan tien keer bij soortgelijk pathologisch onderzoek betrokken is geweest als hier aan de orde was, ook bij mensen van de leeftijd van het slachtoffer (bewijsmiddel 11). 's Hofs in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de getuige-deskundige Hens met de nodige deskundigheid zijn expertise heeft gegeven "betreffende hetgeen zijne wetenschap hem leert omtrent datgene wat aan zijn oordeel onderworpen is" (art. 343 Sv Pro) is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van hetgeen ten verwere is aangevoerd, zoals in de toelichting op het middel geciteerd. Genoemd oordeel behoefde geen nadere motivering.
3.4. Het middel faalt.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 6 januari 2004.