ECLI:NL:HR:2004:AO1211

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/268HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in geschil over leveringsakte en schadevergoeding

Indonesian Trade & Distribution Centre B.V. (ITDC) heeft ING Vastgoed Financiering N.V. gedagvaard met het verzoek de leveringsakte van 21 januari 1999 te vernietigen, waarbij ING als eerste hypotheekhouder het recht van erfpacht verkreeg op een onroerende zaak te een bepaalde plaats. Daarnaast vorderde ITDC subsidiair een schadevergoeding van ƒ 2.300.000,-- plus rente en proceskosten.

De rechtbank wees de vordering van ITDC af, en het gerechtshof te 's-Gravenhage bekrachtigde dit vonnis bij arrest van 31 mei 2002. ITDC stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het cassatieberoep werd verworpen en ITDC werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president P. Neleman als voorzitter en raadsheren P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2004.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van ITDC en bevestigt de eerdere afwijzing van haar vorderingen.

Uitspraak

27 februari 2004
Eerste Kamer
Nr. C02/268HR
JMH/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
INDONESIAN TRADE & DISTRIBUTION CENTRE B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
EISERES tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. R.G.E. de Vries,
thans mr. J.G. Pherai,
t e g e n
ING VASTGOED FINANCIERING N.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. D. Stoutjesdijk.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: ITDC - heeft bij exploot van 14 juni 1999 verweerster in cassatie - verder te noemen: ING - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd:
I. primair de leveringsakte d.d. 21 januari 1999 te vernietigen, waarbij ING als executerende eerste hypotheekhouder het recht van erfpacht verkreeg van de onroerende zaak en de zich daarop bevindende opstallen, staande en geleden aan de [a-straat 1] te [plaats], voor de prijs van ƒ 3.000.000,--, met vergoeding aan ITDC van de door haar geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, kosten rechtens, en
II. subsidiair ING te veroordelen aan ITDC te voldoen een schadebedrag van ƒ 2.300.000,--, verhoogd met de wettelijke rente en de aan de zijde van ITDC gevallen proceskosten, althans een bedrag dat de rechtbank in de gegeven omstandigheden redelijk zal voorkomen.
ING heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 20 september 2000 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft ITDC hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 31 mei 2002 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft ITDC beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
ING heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt ITDC in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ING begroot op € 301,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 27 februari 2004.