ECLI:NL:HR:2004:AO1303
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Beoordeling globalisatieregeling en substitutieregel bij overdracht automobielbedrijf in omzetbelasting
Belanghebbende, handelend in gebruikte auto's, nam in november 1996 een automobielbedrijf over waarvan de overdrager eveneens de globalisatieregeling toepaste. De overdrager had een negatieve marge van ƒ 101.515. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op, die na bezwaar werd gehandhaafd. Het Hof vernietigde deze uitspraak en stelde belanghebbende in het gelijk, waarbij het oordeelde dat de negatieve marge aan de inkoopwaarde van de overgedragen auto's moet worden toegerekend.
De Staatssecretaris stelde tegen het arrest van het Hof beroep in cassatie in. De Hoge Raad overwoog dat de substitutieregel, zoals neergelegd in artikel 8, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 en artikel 31 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968, onverkort geldt indien zowel de overdrager als de overnemer de globalisatieregeling toepassen. Een beperking van deze regel op grond van artikel 5, lid 8, van de Richtlijn is slechts toegestaan om concurrentieverstoringen te voorkomen, wat hier niet aan de orde was.
De Hoge Raad verwierp het middel van de Staatssecretaris en bevestigde dat het bepaalde in artikel 8, lid 2, van de Uitvoeringsbeschikking niet verbindend is in deze situatie. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten. Hiermee is bevestigd dat de negatieve marge van de overdrager in de berekening van de omzetbelasting door de overnemer moet worden betrokken volgens de globalisatieregeling.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof bevestigd.