ECLI:NL:HR:2004:AO1454

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
1401
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • J.C. van Oven
  • C.J.J. van Maanen
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 9 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep cassatie inzake onteigeningsvonnis gemeente 's-Gravenhage

Eisers, wonende te een woonplaats, werden door de gemeente 's-Gravenhage gedagvaard wegens een onteigeningsprocedure van meerdere percelen grond die zij in eigendom hadden. De rechtbank had bij vonnis van 16 juli 2003 de gevorderde onteigening bij vervroeging uitgesproken, het voorschot op schadeloosstelling vastgesteld, zekerheid bepaald en deskundigen benoemd.

Eisers stelden beroep in cassatie in tegen dit vonnis, waarbij de gemeente verweer voerde tot verwerping van het beroep. De Advocaat-Generaal concludeerde eveneens tot verwerping. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat het middel geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte.

De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde eisers in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee bleef het vonnis van de rechtbank in stand, waarmee de onteigening en de daarbij behorende maatregelen definitief werden bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eisers wordt verworpen en het vonnis van de rechtbank blijft in stand.

Uitspraak

Nr. 1401
30 januari 2004
Za
gewezen in de zaak van
[eiser 1] en [eiseres 2],
wonende te [woonplaats],
eisers tot cassatie,
advocaat: Mr. J.P. Heering,
tegen
de gemeente 's-Gravenhage,
zetelende te 's-Gravenhage,
verweerster in cassatie,
advocaat: Mr. J.A.M.A. Sluysmans.
1. Geding in feitelijke instantie
1.1. De gemeente 's-Gravenhage (hierna: de Gemeente) heeft bij exploit van 14 mei 2003 eisers tot cassatie (hierna: [eisers]) doen dagvaarden voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en in het belang van de ruimtelijke ontwikkeling en van de volkshuisvesting gevorderd vervroegd uit te spreken de onteigening ten name van de Gemeente van de percelen, kadastraal bekend gemeente 's-Gravenhage, sectie [...], nummers [001] en [002], plaatselijk bekend als [a-straat 1-2] en [3-4] te [woonplaats], waarvan [eiser 1] als eigenaar is aangewezen en de percelen, kadastraal bekend gemeente 's-Gravenhage, sectie [...], nummers [003] en [004], plaatselijk bekend als [a-straat 5-6] en [7-8] te [woonplaats], waarvan [eiser 1] in gemeenschap van goederen gehuwd zijnde met [eiseres 2] als eigenaar is aangewezen, en bepaling van het bedrag van de schadeloosstelling.
1.2. Bij vonnis van 16 juli 2003 heeft de Rechtbank de gevorderde onteigening bij vervroeging uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor [eisers] bepaald, de som van de door de Gemeente voor [eisers] te stellen zekerheid bepaald en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd.
2. Geding in cassatie
2.1. [Eisers] hebben tegen het vonnis beroep in cassatie ingesteld.
2.2. De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.3. Partijen hebben vervolgens hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun voornoemde advocaten. De Gemeente heeft gedupliceerd.
2.4. De Advocaat-Generaal Th. Groeneveld heeft op 12 december 2003 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad
verwerpt het beroep,
veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 316,34 aan verschotten en € 1365 voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G Pos als voorzitter, en de raadsheren J.C. van Oven en C.J.J. van Maanen, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2004.