ECLI:NL:HR:2004:AO2785
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- P.C. Kop
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Beoordeling internationale bevoegdheid Nederlandse rechter in omgangsregeling na echtscheiding
Partijen, woonachtig in België, waren gehuwd en hebben een dochter uit hun huwelijk. Na hun echtscheiding behielden zij gezamenlijk het ouderlijk gezag en kwamen zij overeen over een omgangsregeling. De moeder verzocht de rechtbank Maastricht in 2001 om de omgangsregeling te beëindigen, hetgeen werd toegewezen. De man ging in hoger beroep bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch, dat de Nederlandse rechter onbevoegd verklaarde om kennis te nemen van het verzoek.
De moeder stelde cassatie in tegen deze beslissing. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte het nieuwe procesrecht van 2002 toepaste op een procedure die in 2001 was gestart. Volgens het perpetuatio fori-beginsel moet de internationale bevoegdheid worden beoordeeld aan de hand van het recht dat gold bij de aanvang van de procedure.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling en beslissing. Hierdoor werd de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter herbeoordeeld op basis van het oude recht, wat gevolgen heeft voor de voortgang van de omgangsregeling en het gezag over het kind.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling.