ECLI:NL:HR:2004:AO6016

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C03/045HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep tegen afwijzing schadevergoeding wegens strafvervolging

Eiser heeft de Staat gedagvaard wegens schadevergoeding als gevolg van een strafvervolging die tegen hem was ingesteld. De rechtbank wees de vordering af, wat door het gerechtshof werd bekrachtigd. Eiser stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van eiser onvoldoende waren om tot cassatie te leiden en zag geen aanleiding tot nadere motivering. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het beroep werd gevolgd.

Het beroep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee bleef de eerdere afwijzing van de schadevergoeding in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

11 juni 2004
Eerste Kamer
Nr. C03/045HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J.H.E. Wanrooij,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),
gevestigd te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. D. Stoutjesdijk.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 24 april 1998 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd de Staat te veroordelen aan [eiser] de schade te vergoeden welke het gevolg is van de in het lichaam van de dagvaarding beschreven strafvervolging, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Bij conclusie van repliek heeft [eiser] de feitelijke grondslag van zijn eis uitgebreid.
De Staat heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 15 september 1999 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 26 september 2002 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De Hoge Raad zal geen acht slaan op de repliek van [eiser], nu hetgeen daarin wordt aangevoerd niet een reactie op de schriftelijke toelichting van de Staat, maar een zelfstandige nadere toelichting op het door [eiser] voorgestelde middel behelst.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de Staat heeft bij brief van 26 maart 2004 op deze conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 316,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 11 juni 2004.