ECLI:NL:HR:2004:AO8215

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38742
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Besluit van 17 januari 1995, nr. IFZ94/1042Besluit van 7 december 1999, nr. IFZ 1999/1060M
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling reisdagen volgens Nedeco-regeling bij belastingaanslag 1999

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1999 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 111.339. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslag, maar het Hof verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag tot een belastbaar inkomen van ƒ 100.477.

De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak van het Hof. Het centrale geschil betrof de uitleg van de Nedeco-regeling 1995 omtrent de definitie van 'reisdagen' voor de kostenaftrek bij uitzendingen naar het buitenland.

De Hoge Raad oordeelde dat de Nedeco-regeling 1995 niet beperkt is tot verblijfsdagen in aangewezen gebieden, maar dat reisdagen ook de dagen van terugreis naar Nederland omvatten. In dit geval had belanghebbende een terugreis van twaalf dagen vanuit het Caribische gebied naar Den Helder, welke dagen terecht als reisdagen werden meegeteld bij de kostenaftrek. Het feit dat belanghebbende tijdens deze reisdagen op het schip werkte, deed hieraan niet af.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten. Daarmee bleef de uitspraak van het Hof in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof blijft in stand.

Uitspraak

Nr. 38.742
23 april 2004
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 augustus 2002, nr. P01/01474, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 111.339, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 100.477. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel
Het betoog van het middel dat ook voor de toepassing van het Besluit van 17 januari 1995, nr. IFZ94/1042, BNB 1995/84, (hierna: de Nedeco-regeling 1995) al had te gelden - zoals in het Besluit van 7 december 1999, nr. IFZ 1999/1060M (hierna: de Nedeco-regeling 1999) is neergelegd - dat als 'reisdagen' slechts in aanmerking worden genomen de dagen die benodigd zijn voor het reizen van en naar het land van uitzending bij gebruikmaking van een vervoermiddel dat voor een ieder - ongeacht de aard van zijn beroep - voor een dergelijke reis gebruikelijk is, kan niet als juist worden aanvaard. In de tekst van de Nedeco-regeling 1995 is voor die uitleg geen steun te vinden, en onjuist is het in de toelichting op het middel gebezigde argument dat de regeling uitdrukkelijk is beperkt tot verblijfsdagen in aangewezen gebieden: de Nedeco-regeling 1995 bepaalt immers dat de verblijfsdagen in het buitenland mede de reisdagen omvatten. Gelet op deze bepaling, en nu in het onderhavige geval vaststaat dat belanghebbende zijn uitzending naar het Caribische gebied heeft beëindigd met een terugreis van twaalf dagen naar Den Helder, heeft het Hof terecht die twaalf reisdagen begrepen onder de bij de berekening van de kostenaftrek in aanmerking te nemen verblijfsdagen in het buitenland. Het Hof heeft met juistheid geoordeeld dat aan de omstandigheid dat belanghebbende tijdens de reisdagen op het schip heeft gewerkt, in deze geen betekenis toekomt.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en P.J. van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2004.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 409.