ECLI:NL:HR:2004:AO8709

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R03/097HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R. Herrmann
  • D.H. Beukenhorst
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
  • F.B. Bakels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:160 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging alimentatieverplichting bij samenwonen na echtscheiding

De zaak betreft een verzoek van de man om zijn alimentatieverplichting jegens zijn ex-echtgenote te beëindigen per 1 januari 1996, met terugvordering van onverschuldigde betalingen. De man stelde dat de vrouw sinds maart 1995 samenwoonde met een derde, wat volgens art. 1:160 BW Pro de alimentatieplicht zou beëindigen.

De rechtbank wees het verzoek af omdat de man onvoldoende bewijs leverde. Het hof vernietigde dit oordeel en oordeelde dat de vrouw onvoldoende gemotiveerd verweer had gevoerd tegen het samenlevingsverweer, waardoor de alimentatieverplichting vanaf 3 juli 2002 eindigde en de vrouw moest terugbetalen.

De Hoge Raad stelde vast dat de rechtbank de man terecht tot bewijslevering had toegelaten omdat de vrouw het samenlevingsverweer voldoende gemotiveerd had betwist. Het hof was buiten de rechtsstrijd getreden door het verweer van de vrouw onvoldoende te achten. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling en beslissing.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling.

Uitspraak

9 juli 2004
Eerste Kamer
Rek.nr. R03/097HR
JMH/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 28 mei 2001 gedateerd verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot de rechtbank te Utrecht en verzocht bij beschikking zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de alimentatieverplichting van de man te beëindigen per 1 januari 1996, althans vanaf een zodanige datum als de rechtbank redelijk acht met veroordeling van verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - aan de man te restitueren de vanaf de datum van beëindiging onverschuldigd door de man aan de vrouw betaalde alimentatietermijnen.
De vrouw heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenbeschikking, vastgelegd in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 september 2001, de man tot bewijslevering toegelaten en bij eindbeschikking van 3 juli 2002 het verzoek van de man afgewezen.
Tegen deze eindbeschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 22 mei 2003 heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd, bepaald dat de alimentatieverplichting van de man met ingang van 3 juli 2002 is geëindigd, de vrouw veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen over de periode vanaf 3 juli 2002 tot heden onverschuldigd is betaald, en het meer of anders verzochte afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend verzoekschrift tot cassatie zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
De vrouw en de man zijn gewezen echtgenoten. Zij zijn op 27 juli 1984 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn twee dochters geboren. Het huwelijk is op 28 mei 1991 ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis van 24 april 1991 in de registers van de burgerlijke stand. De dochters van partijen verblijven bij de vrouw. In het echtscheidingsvonnis is de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw bepaald op ƒ 2.800,-- per maand.
3.2 De man heeft verzocht zijn alimentatieverplichting per 1 januari 1996 te beëindigen met veroordeling van de vrouw tot terugbetaling van de nadien door hem betaalde alimentatietermijnen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de vrouw sinds maart 1995 met [betrokkene 1] samenleeft op de wijze zoals bedoeld in art. 1:160 BW Pro (hierna: het samenlevingsverweer).
De vrouw heeft erkend dat zij een affectieve relatie met [betrokkene 1] heeft en dat zij veel tijd met hem doorbrengt, maar zij heeft gemotiveerd betwist dat deze relatie een samenleving als bedoeld in art. 1:160 BW Pro vormt.
3.3 Bij mondelinge tussenbeschikking van 10 september 2001 heeft de rechtbank de man in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van (de feitelijke grondslag van) het door hem ingeroepen samenlevingsverweer. Bij eindbeschikking van 3 juli 2002 heeft de rechtbank geoordeeld dat de man niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd, zodat zijn verzoek wordt afgewezen.
3.4 Het hof heeft bij beschikking van 22 mei 2003 de bestreden beschikking vernietigd, bepaald dat de alimentatieverplichting van de man met ingang van 3 juli 2002 is geëindigd en de vrouw veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen met ingang van die datum (door de man) onverschuldigd is betaald. Het hof overwoog daartoe, kort gezegd, "dat reeds uit het over en weer gestelde in eerste aanleg, de stukken in eerste aanleg en op grond van de in eerste aanleg gehouden getuigenverhoren", een vijftal - in de beschikking opgesomde - specifieke feiten en omstandigheden aannemelijk is geworden op grond waarvan het op de weg van de vrouw had gelegen nader concreet en gemotiveerd verweer te voeren tegen het door de man gevoerde samenlevingsverweer. Het hof was derhalve van oordeel dat de vrouw de stellingen van de man onvoldoende heeft betwist, zodat de alimentatieverplichting van de man is geëindigd (rov. 4.3-4.4).
3.5 In het feit dat de rechtbank in haar tussenbeschikking de man heeft toegelaten tot het hiervoor aangeduide bewijs, ligt besloten dat de vrouw het door de man gevoerde samenlevingsverweer naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd had betwist. De man heeft in hoger beroep geen grief tegen dit oordeel gericht. Daarom is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door de bestreden beschikking te vernietigen op de grond dat de vrouw dit verweer onvoldoende concreet en gemotiveerd heeft betwist. Voor zover het middel een daarop gerichte klacht betreft is het dus gegrond. Voor het overige behoeft het geen beoordeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 22 mei 2003;
verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 9 juli 2004.