ECLI:NL:HR:2004:AO9026
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over bestemmingswijzigingswinst bij bouw bedrijfswoning op landbouwgrond
Belanghebbende, vennoot in een vof die een bloembollenbedrijf exploiteert, bracht per 31 december 1999 een perceel landbouwgrond over naar haar privé-vermogen in verband met de bouw van een bedrijfswoning. Het hof oordeelde dat de bouw van de woning niet leidde tot een bestemmingswijziging van de grond en dat de grond dienstbaar bleef aan het landbouwbedrijf. Hierdoor werd de aanslag inkomstenbelasting voor 1999 vernietigd en verminderd tot nihil.
De Hoge Raad stelt echter dat volgens artikel 8, lid 1, letter b, Wet op de inkomstenbelasting 1964, zodra op landbouwgrond een woning wordt gebouwd, het perceel wordt onttrokken aan het gebruik ten behoeve van landbouw in eigenlijke zin. Dit geldt ook als de woning dienstbaar is aan het bedrijf of als de ondernemer nabij zijn landbouwbedrijf moet wonen. De Hoge Raad vernietigt daarom de uitspraak van het hof en verklaart het beroep tegen de aanslag ongegrond.
De Hoge Raad acht geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en doet uitspraak in het openbaar op 7 mei 2004. Hiermee wordt bevestigd dat de bouw van een bedrijfswoning op landbouwgrond leidt tot een bestemmingswijzigingswinst die moet worden belast.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verklaart het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting ongegrond.