ECLI:NL:HR:2004:AO9043

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38654
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • L. Monné
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 MeststoffenwetArt. 8 AWRArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid bestemmingsheffing Meststoffenwet 1998

Belanghebbende heeft voor het jaar 1998 een bedrag van ƒ 100 aan bestemmingsheffing op grond van de Meststoffenwet voldaan. Tegen dit bedrag maakte belanghebbende bezwaar, dat door de Inspecteur Bureau Heffingen ongegrond werd verklaard. Vervolgens is beroep ingesteld bij het Hof, dat het beroep eveneens ongegrond verklaarde. Belanghebbende stelde daarop cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad beoordeelde de klachten van belanghebbende, die onder meer betrekking hadden op de tariefstelling van de bestemmingsheffing en de toepassing van de Meststoffenwet. De Raad concludeerde dat de wet geen discriminatoire bepalingen bevat en dat de tariefstelling afhankelijk mag zijn van een accountantsverklaring. Tevens werd bevestigd dat belanghebbende correct was uitgenodigd tot het doen van aangifte.

De Hoge Raad vond geen aanleiding om de klachten toe te wijzen en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 23 april 2004.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de bestemmingsheffing blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Nr. 38.654
23 april 2004
wv
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 augustus 2002, nr. 00/02234, betreffende na te melden op aangifte voldaan bedrag aan bestemmingsheffing.
1. Aangifte, bezwaar en geding voor het Hof
Belanghebbende heeft voor het jaar 1998 op aangifte een bedrag van ƒ 100 aan bestemmingsheffing op grond van de Meststoffenwet voldaan. Belanghebbende heeft tegen dat bedrag bezwaar gemaakt. De Inspecteur Bureau Heffingen heeft het bezwaar bij uitspraak van 29 mei 2000 ongegrond verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij enkele klachten aangevoerd.
De minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Minister heeft een conclusie van dupliek ingediend.
Naar aanleiding van de conclusie van dupliek heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Daarop kan geen acht worden geslagen, nu de wet niet de mogelijkheid biedt zodanig stuk in te dienen.
3. Beoordeling van de klachten
De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2004.