ECLI:NL:GHAMS:2005:AU9144
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag en verzuimboete bestemmingsheffing 1999 Meststoffenwet
Belanghebbende, een vleesvarkenshouder met grasland, werd in 2000 uitgenodigd tot het doen van aangifte voor de bestemmingsheffing over 1999. Zijn aangifte vermeldde een heffing van ƒ 100, maar ontbrak een vereiste accountantsverklaring, waardoor de verschuldigde heffing ƒ 400 bedroeg. Belanghebbende betaalde niet en kreeg in 2002 een naheffingsaanslag en verzuimboete opgelegd.
Belanghebbende stelde in beroep dat de accountantsverklaring geen toegevoegde waarde had, dat de naheffing na vijf jaar niet meer mogelijk was, dat er sprake was van discriminatie ten opzichte van NVV-convenantdeelnemers en dat inning van de inmiddels afgeschaftte heffing onredelijk was. Het hof oordeelde dat de wet duidelijk twee tarieven kent afhankelijk van de accountantsverklaring en dat dit niet discriminerend is, conform Hoge Raad 2004/33.31.
Verder stelde het hof vast dat de verjaringstermijn van vijf jaar niet was overschreden en dat het NVV-convenant geen vrijstelling gaf. De verzuimboete werd terecht en correct opgelegd conform de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het Besluit Bestuurlijke Boeten. Het hof verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag en verzuimboete bestemmingsheffing 1999 wordt ongegrond verklaard en de aanslag en boete blijven in stand.