ECLI:NL:HR:2004:AO9078
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Toestemming tot terbeschikkingstelling inbeslaggenomen stukken op grond van herhaald rechtshulpverzoek na inwerkingtreding EVR
In deze zaak gaat het om een vordering van de Officier van Justitie tot het verkrijgen van verlof op grond van artikel 552p, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, om stukken van overtuiging die in beslag zijn genomen ter beschikking te stellen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek.
Het oorspronkelijke rechtshulpverzoek werd door de Russische autoriteiten ingediend vóór de inwerkingtreding van het Europees Verdrag tot Wederzijdse Rechtshulp in Strafzaken (EVR) op 9 maart 2000. Na de inwerkingtreding werd het verzoek herhaald. De Rechtbank wees de vordering af omdat het oorspronkelijke verzoek niet op een verdrag was gebaseerd, waardoor volgens de rechtbank geen dwangmiddelen mochten worden toegepast.
De Hoge Raad oordeelt dat het herhaalde verzoek na de inwerkingtreding van het EVR wel als grondslag kan dienen voor het verlenen van verlof tot terbeschikkingstelling van de inbeslaggenomen stukken. Het feit dat het oorspronkelijke verzoek vóór de inwerkingtreding was ingediend, vormt geen beletsel. De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking en verleent het gevraagde verlof onder de voorwaarde dat de stukken na gebruik worden teruggezonden.
Deze beslissing bevestigt dat rechtshulpverzoeken die na ratificatie van een verdrag worden herhaald, rechtsgeldige grondslagen kunnen vormen voor dwangmiddelen en terbeschikkingstelling, ook als het oorspronkelijke verzoek vóór die ratificatie is gedaan.
Uitkomst: De Hoge Raad verleent verlof tot terbeschikkingstelling van inbeslaggenomen stukken op grond van een herhaald rechtshulpverzoek na inwerkingtreding van het EVR.