ECLI:NL:HR:2004:AO9498
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Verlening optierecht door BV aan aandeelhouder geen uitdeling in 1997
Belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van B.V., kreeg in 1987 een onvoorwaardelijk optierecht op een bedrijfspand zonder tegenprestatie. Dit recht werd pas eind 1996 aan de fiscus gemeld. In 1997 werd het optierecht afgekocht voor een bedrag van ƒ 960.000, dat de Inspecteur als uitdeling van winst aanmerkte.
Het Hof oordeelde dat de overeenkomst uit 1987 een schenking betrof, welke nietig was wegens het ontbreken van een notariële akte, en dat het optierecht in 1987 niet werd genoten. Het Hof stelde vast dat het bedrag van ƒ 960.000 in 1997 wel als voordeel werd genoten en als uitdeling moest worden beschouwd.
De Hoge Raad verwierp de klachten tegen dit oordeel. De Hoge Raad bevestigde dat de overeenkomst uit 1987 feitelijk een intentie tot toekomstige dividenduitkering inhield, en dat het afzien van het optierecht in 1997 de werkelijke uitdeling vormde. De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het afzien van het optierecht in 1997 een dividenduitkering betrof.