ECLI:NL:HR:2004:AP1274

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/059HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 76 ROArt. 119 GrwArt. 4-19 Wet van 22 april 1855Art. 483 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in beklag tegen afwijzing vervolging minister ambtsmisdrijf

Klager verzocht de hoofdofficier van justitie om strafvervolging in te stellen tegen de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken wegens een vermeend ambtsmisdrijf. Dit verzoek werd afgewezen. Klager deed vervolgens beklag bij het gerechtshof, dat zich onbevoegd verklaarde en het beklag naar de Hoge Raad verwees.

De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beklag. Hoewel het beklag betrekking had op een strafbaar feit dat de Hoge Raad in eerste aanleg kan behandelen, is de opdracht tot vervolging van een ambtsmisdrijf uitsluitend mogelijk bij Koninklijk besluit of besluit van de Tweede Kamer. De Hoge Raad heeft deze bevoegdheid niet.

Daarom verklaarde de Hoge Raad het beklag niet-ontvankelijk en oordeelde dat oproeping van klager achterwege kan blijven. De beschikking werd gegeven door de raadsheren Fleers, Kop en Numann en in het openbaar uitgesproken door Hammerstein op 9 juli 2004.

Uitkomst: Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag wegens gebrek aan bevoegdheid tot vervolging van minister.

Uitspraak

9 juli 2004
Eerste Kamer
Rek.nr. R04/059HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[klager],
wonende te [woonplaats],
KLAGER.
1. Het beklag
Met een op 9 mei 2002 ten parkette van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage ingekomen brief heeft klager - verder te noemen: [klager] - zich gewend tot de hoofdofficier aldaar en verzocht een strafvervolging in te stellen tegen de toenmalig minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties K.G. de Vries.
De hoofdofficier van justitie heeft bij brief van 11 juni 2002 het verzoek afgewezen.
Tegen deze beslissing heeft [klager] bij brief van 24 juli 2002 (ingekomen 26 juli 2002) beklag gedaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij beschikking van 20 oktober 2003 heeft het hof zich onbevoegd verklaard tot kennisneming van het beklag en het beklag naar de Hoge Raad verwezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [klager] in zijn beklag.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag
Het beklag betreft weliswaar een strafbaar feit waarvan de Hoge Raad in eerste aanleg kennis neemt - te weten een door de beklaagde in zijn hoedanigheid van minister beweerdelijk gepleegd ambtsmisdrijf als bedoeld in art. 76 RO Pro - maar de opdracht tot vervolging ter zake van een zodanig ambtsmisdrijf kan slechts worden gegeven bij Koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer (art. 119 Gr Pro.w; art. 4-19 Wet van 22 april 1855, Stb. 33, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der Ministeriële Departementen; art. 483 leden Pro 1 en 2 Sv.), derhalve niet door de Hoge Raad. Nu de Hoge Raad niet bevoegd is opdracht te geven tot vervolging van een ambtsmisdrijf als door klager bedoeld, is het beklag kennelijk niet-ontvankelijk. Dit brengt mee dat oproeping van klager achterwege kan blijven (HR 20 maart 1998, nr. 9076, NJ 1998, 549).
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 9 juli 2004.